De filosoof Socrates

De filosoof Socrates

Socrates is zonder twijfel de filosoof die het meest invloedrijk is geweest zonder ooit zelf iets geschreven te hebben. Veel oude filosofische teksten zijn zoekgeraakt, maar het is waarschijnlijk dat Socrates zelf nooit iets opschreef. Wat we van hem weten komt uit drie bronnen (Plato, Aristophanes and Xenophon), waarvan er eentje de spot met hem drijft. Plato is misschien wel de belangrijkste bron, hoewel we eigenlijk nooit zeker weten of Plato opschrijft wat Socrates daadwerkelijk deed en zei, of wat Plato ervan heeft gemaakt. Dit heet het ‘Socratisch probleem’. Maar het is aardig om Socrates’ filosofie te beginnen met hoe hij het volgens zowel Plato als Xenophon zelf vertelt in de rechtszaak die uiteindelijk tot zijn dood zal leiden.

Socrates vertelt hoe zijn vriend Chaerephon naar het Orakel van Delphi gaat, in de Griekse oudheid een belangrijke spreekbuis van de goden en vraagt of er iemand wijzer is dan Socrates. Tot Socrates’ verbazing zegt het Orakel dat Socrates de meest wijze mens is. Hoe kan dat, vraagt Socrates, want om wijs te zijn, heb je kennis nodig en ik heb juist het idee dat ik helemaal niets weet. Maar omdat je goden niet zomaar kunt ondervragen, besluit Socrates te testen of dit waar is, en hij gaat de stad in om mensen te vragen naar hun kennis. Maar, stelt hij, dit is dan niet zomaar kennis, maar kennis van de meest belangrijke zaken. Dus als hij naar de timmerman gaat, wil hij niet weten hoe je een spijker verwijdert uit een oude plank, maar wat de timmerman weet over wat het is dat een timmerman een goede timmerman en een goed mens maakt. Socrates bezoekt de poeten, de politici en de ambachtslieden en onderwerpt hen allemaal aan zijn eigen ‘socratische methode’. Hij vraag naar wat het is om deugdzaam te zijn, en wat een goed leven is, maar hij komt er achter dat hoewel de ondervraagde mensen heel zelfbewust beginnen met hun antwoord, ze al vrij snel stranden als Socrates doorvraagt en hen betrapt op tegenstrijdigheden. Maar het meest confronterende van deze onderzoekingen vindt Socrates het feit dat alle mensen die hij eerst ondervraagt wel volstrekt in de veronderstelling waren dat zij het antwoord op de elementaire vragen hebben die Socrates hen stelt. En dan realiseert Socrates zich wat het Orakel moet hebben bedoeld: Socrates onderscheidt zich van alle andere mensen die hij spreekt van het feit dat hij van zichzelf zegt dat hij niets weet. En dat is een wijsheid op zich, zeker als je het vergelijkt met het valse zelfbewustzijn van zijn stadsgenoten.

Na jaren te hebben rondgelopen in lompen, en voor nop te filosoferen met mensen in de stad (en hen aan zijn categorische vragen te onderwerpen), wordt Socrates voor het gerecht gedaagd door zijn stadsgenoten. Waarschijnlijk zijn de stadsgenoten jaloers op de populariteit van Socrates bij de jeugd, en ze verwijten hem dan ook dat hij de jeugd verziekte met zijn praatjes. Verder hield Socrates er nogal eens afwijkende religieuze ideeen op na, en dat werd het tweede verwijt. Socrates voert zijn eigen pleidooi, dat er (volgens Plato) zelfs op neer komt dat hij, in plaats van de gifbeker te hoeven drinken, de rest van zijn leven gratis eten zou krijgen op kosten van de stad, omdat hij de stad een groot plezier doet met zijn zoektocht naar de waarheid. Maar daar willen de Atheners niets van weten. Ze stemmen voor zijn doodstraf. Socrates verzet zich niet, want, zo stelt hij, hij is niet bang voor de dood. Zijn laatste woorden waren: ‘Hey Crito! We moesten nog een haan offeren, vergeet dat niet!’

Socrates’ ideeën

Over Socrates’ precieze ideeën is het lastig stellige uitspraken te doen. Maar zijn methode was evident. Als zoon van een vroedvrouw vond hij dat het antwoord in mensen zelf lag. Door goede vragen te stellen, kon hij mensen doen inzien wat ze eigenlijk al wisten, of misschien wel dat ze iets zelf niet wisten.

Let op het belang van deze gedachte, die we eerder al zagen in de antieke filosofie. Ons brein is met elkaar geconnect waardoor we bepaalde methodes kunnen hanteren om met elkaar over waarheid te praten. En daarnaast helpt die methode om de kennis die we voor een gedeelte al hebben naar boven te halen. We zien deze gedachte later terug in Plato. Want het is natuurlijk een interessante vraag hoe het kan dat wij mensen vrij makkelijk tot dezelfde conclusies kunnen komen, met gebruik van logica. Plato zal eruit concluderen dat ons brein kennis in zich herbergt, die misschien wel helemaal los staat van de buitenwereld. Voor Socrates geldt: je weet het wel, zeg het maar. Of tenminste: je weet wel dat je niets weet, kom er maar voor uit. Dat is een vruchtbaar startpunt. Dat is de aporia, en het is precies die aporia die je helpt om vervolgens wel degelijk op onderzoek uit te gaan, net zoals Socrates dat doet.

Een van de belangrijkste basale vragen voor Socrates is de vraag naar hoe je gelukkig kunt worden. Geluk, zo stelt Socrates, is het belangrijkste in het leven. was ‘wat moet ik doen?’, ofwel: de ethiek. Ook deze vraag benaderde Socrates vanuit ‘kennis’. Hij begint met de aporie en gaat vanaf daar op zoek naar een antwoord op de ethische vraag. Socrates stelt namelijk (en hier komt een filosofische redenering) dat iets nooit 100% goed is, tenzij je het met wijsheid combineert. Zelfs iets overduidelijks als ‘gezondheid’ is pas goed als het een deugdzaam mens betreft dat gezond is, en niet een boze tiran die allerlei mensen de dood in jaagt. En medicijnen zijn pas goed als ze met wijsheid worden toegepast, want zonder die wijsheid zijn ze dodelijk. Het is dus, zegt Socrates, uitsluitend wijsheid en kennis die een ding goed kan maken.

Maar je zou kunnen zeggen dat ethiek iets anders is dan kennis. Want als je weet wat goed is om te doen, dan wil dat nog niet zeggen dat je dat vervolgens ook doet. Als ik weet dat het niet verstandig is om een sigaret te roken, dan wil dat nog niet zeggen dat ik het ook ga doen. Of als ik weet dat het niet ethisch is om geld achterover te drukken, dan wil dat nog niet zeggen dat ik het ook echt niet doe. Het bijzondere van Socrates’ benadering is dat het suggereert dat dit dilemma niet bestaat. Wie, zo zou Socrates zeggen, zegt er ooit: ‘oh, dit is een goede keuze, maar ik ben niet zo van ‘goed’, dus ik kies voor wat slecht is’. Voor Socrates geldt: no one does wrong willingly. Maar of dat zo is, is nog een beetje de vraag. Je zou kunnen zeggen, hier zit Socrates misschien iets te veel in z’n hoofd. De werkelijkheid werkt, helaas, toch anders.

Socrates’ invloed

Socrates’ invloed is lastig te onderschatten, hoewel het ook moeilijk is om aan te wijzen waar deze precies in zit (omdat Socrates zelf niks opschreef). Maar het gros van de Griekse scholen is aan hem opgedragen en zien zichzelf allemaal als opvolgers van het gedachtegoed van Socrates. Vanaf Socrates is de filosofie definitief de weg op gegaan naar de waarheid, met gebruik van de rede. Zijn methode wordt nog steeds gezien als de blauwdruk van alle filosofische methodes en de aannames die eronder liggen (dat onze ratio ons kan helpen om bij waarheid uit te komen) ook.
In veel dagelijkse praktijk van bijvoorbeeld het bedrijfsleven is het ‘Socratisch gesprek’ nog een veelgebruikte methode. De kracht van de methode ligt erin dat er samen gezocht wordt naar een oplossing voor een probleem, door deze te onderzoeken op dieperliggende zaken. Het is dan van belang dat mensen zorgvuldig naar elkaar luisteren en heel open staan voor andermans argumenten.

Meer

Mijn baby en het trauma van het bestaan

Mijn baby en het trauma van het bestaan

Ik ben net vader. Zo’n 5 maanden ondertussen. En als ik met m’n zoontje door het huis loop, dan staan we soms stil voor de spiegel. Hij lacht net zo vrolijk naar mijn spiegelbeeld als naar mijzelf.

Tegen zichzelf in de spiegel lacht-ie ook. Volgens mij denkt hij er niks bij. Of: nog niks. Er zijn namelijk hele theorieën over babys en spiegels, maar die beginnen pas vanaf 6 maanden. En dus kan ik nog een maand ongedwongen voor de spiegel staan voordat de ellende begint.

De spiegel-fase

Tussen de 6 en 18 maanden ontwikkelt een kind een idee van een ‘zelf’, zeggen die theorieën. Het duurt even voordat het besef helemaal doordringt (soms wel een jaar dus), maar dan is het er ook echt: ik ben iemand. ‘Ik’ ben een ‘ik’.

Het is een typisch mensen-dingetje. De meeste dieren hebben geen gedachten bij spiegels. Maar volgens die psychotherapeutische theorieën is het één van de meest ingrijpende dingen die je als mens meemaakt. De spiegel-fase, noemt Jacques Lacan het.

Het trauma van het bestaan

De filosoof Peter Rollins noemt het ‘het trauma van het bestaan’ en iedereen heeft er last van. Ook jij. Wat gaat m’n arme zoontje overkomen?

Stel je voor dat je nog nooit je eigen spiegelbeeld gezien zou hebben. Op een dag liep je langs een spiegel. Wat zou je dan denken? Natuurlijk herken je snel genoeg dat de spiegel een weergave is van jou. Maar dan zie je jezelf dus voor het eerst.

Goeie kans dat je eerst verrukt bent. Hey! Dat ben ik! Zo zie ik er dus uit! Maar waarschijnlijk verdwijnt de blijdschap snel. Want je hebt een plekje onder je oog. En je mond staat een beetje scheef. En je hebt meer vetrollen om je middel dan je dacht. ‘Ben ik dat?’

En natuurlijk ben jij dat wel en niet. Je bent het wel wat betreft je buitenkant. Vrij confronterend zelfs. En je bent het niet omdat je meer bent dan je buitenkant. Je ziet er vrolijker uit dan je bent (of andersom) en je bad-hair-day zegt niets over je gedachtenroersels: ben ik dat?

Facebook

Ook een baby zal zo’n soort ervaring ontwikkelen, zegt Lacan. Dat wat hij in de spiegel is, is hij wel én niet. Resultaat: een gevoel van vervreemding.

Hoe ouder hij wordt, hoe meer mijn zoontje zich bewust zal worden van deze vervreemding. Facebook representeert hoe hij wil dat hij zou willen zijn, net als z’n kledingkeuze en z’n stoere praat. En ‘s avonds in z’n eentje in bed, piekert hij over wie hij nou echt is. Het zal hem niet anders vergaan dan jou en mij.

Nog meer vervreemding

En dan komt er nog iets bij. Want als je weet wat ‘ik’ is, weet je ook wat ‘niet-ik’ is. Mama bijvoorbeeld. Of Sophie de giraf. De spiegel-fase creëert vervreemding. Er ontstaat scheiding. Mama heeft haar eigen leven. Sophie de giraf weet niet wat ik voel. Ergens in de spiegel-fase (en de tijd daarna) ontstaat een enorm gevoel van verlies. Eerst was alles één en nu ben ik alleen.

Dat arme kind.

Misschien denk je: wat een onzin, al dat gepsychologiseer op een klein kind.

Natuurlijk maakt een kind dit niet zo mee als Jacques Lacan het kon opschrijven. Wel kon Lacan met deze theorie een diepgaande menselijke ervaring verklaren. Een ervaring die dieren niet hebben.

Zijn theorie verklaart waarom je als mens zo onverzadigbaar bent. Zo onvermoeibaar op zoek naar voldoening, bestemming en betekenis. Op Facebook lijkt het meestal alsof we tevreden en gelukkig zijn, maar als we alleen zijn en in bed liggen valt dat altijd weer tegen.

Op dat gevoel draait de kledingindustrie. En de filmindustrie en de entertainmentindustrie. En ook de babyindustrie trouwens. Als je dit hebt dan ben je echt voldaan. En natuurlijk weten we al lang: ja, voor even. Daarna ga je op zoek naar het volgende. Het maakt mensen gedreven en creatief, maar ook verbeten, gefrustreerd en burn-out.

De fruitautomaat van het leven: religie, spiritualiteit, auto’s.

Sommige mensen nemen hun toevlucht tot de spiritualiteit. Oosterse spiritualiteit is in onze tijd erg in trek. En die spiritualiteit zegt: die scheiding die je ervaart is een illusie. Er is geen vervreemding, er is geen ‘ik’ en geen ‘jij’: alles is één. Je zou kunnen zeggen dat deze mensen verlangen naar de status waar mijn zoontje nu nog zo gelukzalig in verkeert.

De religieuze industrie draait er ook op. ‘Kom naar mij en ik zal je rust geven’, wordt Jezus dan aangehaald. ‘Onrustig is mijn hart tot het rust vindt in u’, volgens Augustinus. In veel kerken hoor je zeggen: alleen God kan je echt vervullen. Geef je helemaal aan hem. Geloven in God wordt één van de manieren om je binnenste op te vullen.

Maar de filosoof Peter Rollins noemt dit ‘erfzonde’. Steeds maar zoeken naar ‘afgoden’ die ons kunnen vervullen. Welkom bij de fruitautomaat van het leven: kies je voor een nieuwe auto, een baby, spiritualiteit of Jezus?

Godverlaten

Denkers als Peter Rollins en Lacan zeggen: de spiegel-fase berust op een illusie. Het gevoel dat je iets kwijt bent geraakt (de eenheid van alles) is een foutief idee. Of je dat nou als baby al beseft of pas later. Spiritualiteit die terug wil naar de eenheid van alles – het is een denkfout.

Want die eenheid was er nooit. Jij bent altijd al afgesloten geweest van de rest. Of je nou 6 maanden of 30 jaar oud bent. Dat gat dat je ervaart tussen jou en de ander is integraal onderdeel van mens-zijn. Niets kan dat opvullen. Ook geen religie of spiritualiteit. En natuurlijk wist je dat al lang. Deal er maar mee, er is niets dat je gevoel van onvoldaanheid ooit helemaal zou kunnen opvullen. Zelfs Jezus niet.

Slecht nieuws? Het ligt eraan. Als je ooit dacht volledige bevrediging te kunnen krijgen wel ja. Maar misschien goed nieuws voor als je uitgeblust bent geraakt. Innerlijk verdeeld zijn, onzeker zijn, zoekend zijn – het hoort bij mens-zijn.

Wen er maar aan. Je hebt er je leven de tijd voor.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en het geloof in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Er staat een paard in je broek (de filosofie van Wittgenstein)

Wittgenstein

‘Stel je voor: een paard.’

Als jij bovenstaande zin leest, dan roept dat een beeld bij je op. Vooral het woord ‘paard’ waarschijnlijk. Ik denk dat je je iets voorstelt dat groter is dan jij, stevig, ik denk donker van kleur en levend. Iets waarvan je hoopt dat het niet op hol slaat.

Bijzonder eigenlijk, dat één woord bij jou iets heel concreets kan oproepen. Je kunt het ook op een grappige manier doen. Dan schrijf ik bijvoorbeeld:

‘daar staat een paard in de gang’.

Alleen die zin al is een carnavalskraker, want iedereen die deze zin hoort heeft er een chaotisch, mogelijk hilarisch beeld bij.

Filosofie

Het duurde vrij lang voordat filosofen studie gingen maken van de bepalende rol van taal in het leven. Dat doen ze pas sinds ruim 100 jaar. Veel daarvan is begonnen bij de filosoof Wittgenstein. Hij schreef in z’n leven twee boeken. Maar na het schrijven van z’n eerste boek dacht hij dat hij al klaar was. Hij had de filosofie opgelost, zei hij zelf.

Hij stelde dat als je de taal snapt, dat je dan ook het hele denken de baas bent. En dat er buiten taal niet iets zinvols is. En dus gaf Wittgenstein een grondige analyse van wat de taal wel en niet kan, en zat z’n werk erop.

Wittgensteins taal

Je moet taal zien als het overbrengen van plaatjes, zei Wittgenstein. Een soort instagram van voor de uitvinding van smartphones. Als ik het woord ’paard’ gebruik, dan probeer ik mijn idee van paard naar jou over te brengen. En als ik dat woord combineer met ‘staat in de gang’, dan wil ik er een bepaalde stand van zaken mee overdragen. Dat gaat meestal heel goed, want je schiet al gauw in de lach.

Het probleem is echter dat er ontzettend veel woorden zijn die niet een eenduidig beeld oproepen. Als ik zeg:

‘het paard staat symbool voor de liefde’ (ik verzin maar wat)

Wat voor beeld roept dat dan bij jou wakker? Welk beeld communiceer ik met het woord ‘liefde’? En waar staat het woord ‘symbool’ voor? Geen idee, zei Wittgenstein. En dus kun je over dat soort dingen eigenlijk niet zinvol spreken. De liefde is misschien geen zinloos iets, maar je kunt er domweg niet eenduidig over spreken. En dus heb je grote kans dat iemand iets anders begrijpt dan wat ik bedoel. Iedereen met een relatie van langer dan twee weken weet wat ik bedoel.

Een paard in je broek

Mijn vader zei vroeger soms:

‘Je paard loopt weg’.

(Hij zei het in dialect: ‘je peerd leup weg’). Ik begreep altijd direct wat hij bedoelde en deed direct m’n gulp dicht. Maar onlangs ontdekte ik dat alleen mensen die dat specifieke dialect kunnen verstaan weten wat die zin betekent. Het is een wijsheid die je alleen in Oost-Nederland tegenkomt. En het woord ‘paard’ betekent hier iets heel anders dan wat je je eerder voorstelde toen ik het woord gebruikte.

Overigens: het zou ook denkbaar zijn geweest dat toen m’n vader zei ‘je peerd leup weg’, dat we op dat moment aan het schaken waren. In dat geval staat ‘paard’ weer heel ergens anders voor.

De latere Wittgenstein

En dat was wat Wittgenstein zich later in z’n leven begon te realiseren. Zelfs bij een concreet woord als ‘paard’ is er geen garantie dat een boodschap eenduidig wordt overgebracht. Datzelfde woord kan eigenlijk van alles betekenen en wat het precies betekent wordt bepaald door de context: het schaakbord, wonen in het oosten of op de boerderij.

Na een leven lang denken gooide Wittgenstein het roer om. Hij schreef een nieuw boek over taal, ditmaal over de complexe, contextafhankelijke werking ervan. Hij had de filosofie toch niet opgelost. Wel een stapje verder geholpen.

Misschien denk je: what’s new?

Bovenstaande kan zo logisch klinken, dat het weinig vernieuwend lijkt. En dat klopt ook wel, althans: in het voorbeeld van het woorde paard. Maar denk dan maar eens aan het woord ‘politiek correct’ wat je tegenwoordig vaak hoort. Eigenlijk is dat een vergelijkbare discussie. Welk woord mag je wel of niet in welke context gebruiken, welke machtsstructuren worden door dat woord in stand gehouden en wie stoot je daar mogelijkerwijs mee voor het hoofd? Taal is een veel krachtiger instrument gebleken dan we ooit hadden gedacht. Het werd tijd dat filosofen er eens wat pk denkkracht in zouden gooien.

Waarom blijft geloof zo hardnekkig bestaan?

Filosofie en het geloof in God

In een nieuwe blogserie over filosofie en het geloof in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd na de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, de theologen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’.

Een stoppen-met-geloven-syndroom

‘Ik heb nog nooit zo weinig in God geloofd, maar ik ben er ook nog nooit zó mee bezig geweest’, zei iemand laatst tegen me. Sommige mensen noemen dat het Maarten ‘t Hart-syndroom. Je rekent af met het geloof, maar je blijft er je leven druk mee.

De filosoof Gianni Vattimo is ook zo iemand. Z’n filosofie noemt hij: christelijke filosofie voor het postmodernisme. Maar toen een interviewer hem eens vroeg waarom hij zichzelf ‘christen’ noemde, zei hij: ik kan er niet aan ontkomen. Wat ik ook doe, het blijft bij me. Zelfs als ik me geen christen noem, dan blijf ik ermee geassocieerd (want ik ben het niet). Ik kom er nooit meer vanaf.

En zo kan iets in z’n afwezigheid heel sterk aanwezig zijn. Hier nog twee voorbeelden:

1. Bang voor niks

Ooit fietste ik door de regen langs een rij geparkeerde auto’s. En niet veel later lag ik met ontzettende hoofdpijn op de grond. Wat was er gebeurd? Van omstanders hoorde ik dat er een portier was opengeduwd, net toen ik er langs kwam. Ik belandde op m’n hoofd en had een lichte hersenschudding.
Sindsdien ben ik bang voor iets dat er in principe niet is. Want ik kijk altijd goed uit, maar ik had dit niet kunnen zien. En dat is een beangstigende gedachte. Je kunt opletten wat je wilt, maar in het verkeer kun je geraakt worden door iets dat je niet kunt zien. Hoe moet je je daarop voorbereiden?

2. De aanwezigheid van niks

Stel je gaat op date. Om 20:00 heb je afgesproken en je bent op tijd in de kroeg. Het is druk en lawaaiig. Je vindt het loeispannend, maar hebt er ook wel zin in. Maar als het 20:00 is geweest, is je afspraak er nog niet. Gek. Je wacht nog eens tien minuten. Nog niets. En je zit daar, tegenover een lege stoel, in een druk en vol café.

Daar in die kroeg, is er van alles aanwezig. Lawaai, muziek, mensen, drank. Maar datgene wat voor jou het meest aanwezig is, is de afwezigheid van iets: je date. Anders gezegd: de afwezigheid van die persoon voel je in je hele lijf. De lege stoel voor je, vult je hele denkraam.

De aanwezigheid van een dode God

Zo werkt het met veel postmoderne christenen. Ze geloven minder dan ooit, maar ze zijn er meer dan ooit mee bezig. Hoe minder God ze overhouden, hoe meer de vraag naar God hen blijft bezighouden.

Misschien word je wel eens moe van jezelf. Ik zal je vertellen waarom.

God in je broekzak

Postmoderne mensen staan in de wetenschappelijke traditie. En in die wetenschappelijke traditie wordt het verlangen van de mens zoveel mogelijk te beheersen bevredigd. ‘Ons brein’, zo hoorde ik een neurowetenschapper zeggen, ‘is ingericht om zoveel mogelijk zekerheid over de toekomst te krijgen’. Wij mensen, zoeken patronen en proberen daarmee te weten wat ons morgen (ongeveer) te wachten staat. Wetenschap is daar een geweldig hulpmiddel voor.

Sterker nog: je zou kunnen stellen dat de geschiedenis van de afgelopen 500 jaar bewijst dat wetenschap hier veel beter bij helpt dan geloven in God. Wetenschap heeft ons gigantisch veel gebracht. En zo werd onze wereld steeds meer gerationaliseerd. Van economie tot liefde tot samenleven – we proberen overal grip op te krijgen. En natuurlijk proberen we dat ook met God. Net als tijdens die uitgebleven date, probeer je te vatten wat er is gebeurd. Je probeert rationeel grip te krijgen op de situatie. Je probeert God te pakken in een cognitief denkkader.

Maar dat kan niet.

Gelukkig maar – zegt iemand als Vattimo (en andere postmoderne filosofen).

Stel je voor

Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan zou alle magie en mysterie verdwenen zijn.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan is er geen reden om te geloven dat onze twee gruwelijke wereldoorlogen geen vervolg zullen krijgen.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, waar kun je dan nog op hopen als het leven je tegenzit?

Filosofie na de dood van God

Gods dood (Nietzsche), maakte ruimte voor een come-back. Via niet-christelijke filosofen als Derrida. Want die filosofen gingen op zoek naar hoe het verder moest, na de dood van God en het morele faillissement van de mens. En die filosofen ontdekten dat we het uiteindelijk niet moeten hebben van ‘het mogelijke’ – van het voorspelbare, van het rationele, het wetenschappelijke.

Deze filosofie ontdekte dat we het moeten hebben van de hoop op het onmogelijke.

Dat is wat een poëet doet, als hij tevergeefs probeert woorden te geven aan wat er in haar leeft. En een kunstenaar, die z’n ziel nooit helemaal op het doek krijgt. Dat is wat je voelt als je muziek hoort die je even helemaal vervult en daarna achterlaat met een verlangen naar meer.

Realisten en dromers

Je hebt realisten en je hebt dromers. Realisten houden de touwtjes in handen. Ze maken plannen voor de toekomst: een geanticipeerde toekomst, waarvan ze ongeveer weten hoe die eruit ziet. Ze komen er heel ver mee.

En je hebt dromers. Zij houden ook rekening met die geanticipeerde toekomst (het zou dom zijn om dat niet te doen), maar dromers houden een gaatje over. Ruimte voor het onverwachtse, ruimte voor het onmogelijke. Ruimte voor dromen en voor hoop. Ruimte voor een ‘absolute toekomst’ – eentje die je niet ziet aankomen. Als een dief in de nacht, als een ongeluk in een onverwachtse hoek en als een onmogelijke droom.

God is onmogelijk

De geanticipeerde toekomst gaat over worden wie je al bent, maar dan ouder (en rijker misschien). De absolute toekomst, die van de dromers, gaat over verandering. Nieuwe schepping, nieuw leven, worden als een kind (zie dit blog). De theologen in deze traditie zeggen: die absolute toekomst, dat is waar Jezus het over heeft.

Het verklaart waarom mensen die hun schaapjes op het droge hebben, slechte dromers zijn. Ze gaan lekker en de toekomst ziet er goed uit. Echte dromers vind je bij mensen die aan de grond zitten. Voor wie het leven tegenvalt, de mensen die God niet geholpen heeft. Zij voelen ‘m het sterkst: de roep van het ‘event verborgen in het woord ‘God’’ (zie vorige blog)

‘I have a dream’ zei Martin Luther King. Die droom is nog steeds niet uitgekomen. Maar het heeft miljoenen mensen in beweging gezet. De afwezigheid van waar hij van droomde, was meer voelbaar dan al het andere.

En zo is het met God. Hij stierf in de 19e eeuw. Gelukkig maar. Hij was onmogelijk geworden. Maar zijn dood wekt een verlangen op dat mensen in beweging zet. Op zoek naar de mogelijkheid van een onmogelijke God.

Waarom blijft geloof zo hardnekkig bestaan?

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en het geloof in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Een stoppen-met-geloven-syndroom

‘Ik heb nog nooit zo weinig in God geloofd, maar ik ben er ook nog nooit zó mee bezig geweest’, zei iemand laatst tegen me. Sommige mensen noemen dat het Maarten ‘t Hart-syndroom. Je rekent af met het geloof, maar je blijft er je leven druk mee.

De filosoof Gianni Vattimo is ook zo iemand. Z’n filosofie noemt hij: christelijke filosofie voor het postmodernisme. Maar toen een interviewer hem eens vroeg waarom hij zichzelf ‘christen’ noemde, zei hij: ik kan er niet aan ontkomen. Wat ik ook doe, het blijft bij me. Zelfs als ik me geen christen noem, dan blijf ik ermee geassocieerd (want ik ben het niet). Ik kom er nooit meer vanaf.

En zo kan iets in z’n afwezigheid heel sterk aanwezig zijn. Hier nog twee voorbeelden:

1. Bang voor niks

Ooit fietste ik door de regen langs een rij geparkeerde auto’s. En niet veel later lag ik met ontzettende hoofdpijn op de grond. Wat was er gebeurd? Van omstanders hoorde ik dat er een portier was opengeduwd, net toen ik er langs kwam. Ik belandde op m’n hoofd en had een lichte hersenschudding.
Sindsdien ben ik bang voor iets dat er in principe niet is. Want ik kijk altijd goed uit, maar ik had dit niet kunnen zien. En dat is een beangstigende gedachte. Je kunt opletten wat je wilt, maar in het verkeer kun je geraakt worden door iets dat je niet kunt zien. Hoe moet je je daarop voorbereiden?

2. De aanwezigheid van niks

Stel je gaat op date. Om 20:00 heb je afgesproken en je bent op tijd in de kroeg. Het is druk en lawaaiig. Je vindt het loeispannend, maar hebt er ook wel zin in. Maar als het 20:00 is geweest, is je afspraak er nog niet. Gek. Je wacht nog eens tien minuten. Nog niets. En je zit daar, tegenover een lege stoel, in een druk en vol café.

Daar in die kroeg, is er van alles aanwezig. Lawaai, muziek, mensen, drank. Maar datgene wat voor jou het meest aanwezig is, is de afwezigheid van iets: je date. Anders gezegd: de afwezigheid van die persoon voel je in je hele lijf. De lege stoel voor je, vult je hele denkraam.

De aanwezigheid van een dode God

Zo werkt het met veel postmoderne christenen. Ze geloven minder dan ooit, maar ze zijn er meer dan ooit mee bezig. Hoe minder God ze overhouden, hoe meer de vraag naar God hen blijft bezighouden.

Misschien word je wel eens moe van jezelf. Ik zal je vertellen waarom.

God in je broekzak

Postmoderne mensen staan in de wetenschappelijke traditie. En in die wetenschappelijke traditie wordt het verlangen van de mens zoveel mogelijk te beheersen bevredigd. ‘Ons brein’, zo hoorde ik een neurowetenschapper zeggen, ‘is ingericht om zoveel mogelijk zekerheid over de toekomst te krijgen’. Wij mensen, zoeken patronen en proberen daarmee te weten wat ons morgen (ongeveer) te wachten staat. Wetenschap is daar een geweldig hulpmiddel voor.

Sterker nog: je zou kunnen stellen dat de geschiedenis van de afgelopen 500 jaar bewijst dat wetenschap hier veel beter bij helpt dan geloven in God. Wetenschap heeft ons gigantisch veel gebracht. En zo werd onze wereld steeds meer gerationaliseerd. Van economie tot liefde tot samenleven – we proberen overal grip op te krijgen. En natuurlijk proberen we dat ook met God. Net als tijdens die uitgebleven date, probeer je te vatten wat er is gebeurd. Je probeert rationeel grip te krijgen op de situatie. Je probeert God te pakken in een cognitief denkkader.

Maar dat kan niet.

Gelukkig maar – zegt iemand als Vattimo (en andere postmoderne filosofen).

Stel je voor

Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan zou alle magie en mysterie verdwenen zijn.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan is er geen reden om te geloven dat onze twee gruwelijke wereldoorlogen geen vervolg zullen krijgen.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, waar kun je dan nog op hopen als het leven je tegenzit?

Filosofie na de dood van God

Gods dood (Nietzsche), maakte ruimte voor een come-back. Via niet-christelijke filosofen als Derrida. Want die filosofen gingen op zoek naar hoe het verder moest, na de dood van God en het morele faillissement van de mens. En die filosofen ontdekten dat we het uiteindelijk niet moeten hebben van ‘het mogelijke’ – van het voorspelbare, van het rationele, het wetenschappelijke.

Deze filosofie ontdekte dat we het moeten hebben van de hoop op het onmogelijke.

Dat is wat een poëet doet, als hij tevergeefs probeert woorden te geven aan wat er in haar leeft. En een kunstenaar, die z’n ziel nooit helemaal op het doek krijgt. Dat is wat je voelt als je muziek hoort die je even helemaal vervult en daarna achterlaat met een verlangen naar meer.

Realisten en dromers

Je hebt realisten en je hebt dromers. Realisten houden de touwtjes in handen. Ze maken plannen voor de toekomst: een geanticipeerde toekomst, waarvan ze ongeveer weten hoe die eruit ziet. Ze komen er heel ver mee.

En je hebt dromers. Zij houden ook rekening met die geanticipeerde toekomst (het zou dom zijn om dat niet te doen), maar dromers houden een gaatje over. Ruimte voor het onverwachtse, ruimte voor het onmogelijke. Ruimte voor dromen en voor hoop. Ruimte voor een ‘absolute toekomst’ – eentje die je niet ziet aankomen. Als een dief in de nacht, als een ongeluk in een onverwachtse hoek en als een onmogelijke droom.

God is onmogelijk

De geanticipeerde toekomst gaat over worden wie je al bent, maar dan ouder (en rijker misschien). De absolute toekomst, die van de dromers, gaat over verandering. Nieuwe schepping, nieuw leven, worden als een kind (zie dit blog). De theologen in deze traditie zeggen: die absolute toekomst, dat is waar Jezus het over heeft.

Het verklaart waarom mensen die hun schaapjes op het droge hebben, slechte dromers zijn. Ze gaan lekker en de toekomst ziet er goed uit. Echte dromers vind je bij mensen die aan de grond zitten. Voor wie het leven tegenvalt, de mensen die God niet geholpen heeft. Zij voelen ‘m het sterkst: de roep van het ‘event verborgen in het woord ‘God’’.

‘I have a dream’ zei Martin Luther King. Die droom is nog steeds niet uitgekomen. Maar het heeft miljoenen mensen in beweging gezet. De afwezigheid van waar hij van droomde, was meer voelbaar dan al het andere.

En zo is het met God. Hij stierf in de 19e eeuw. Gelukkig maar. Hij was onmogelijk geworden. Maar zijn dood wekt een verlangen op dat mensen in beweging zet. Op zoek naar de mogelijkheid van een onmogelijke God.

De “comeback van God in de filosofie”

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

 

Geloven in God in de postmoderne, seculiere tijd. Het valt niet mee, hebben we gezien in de voorgaande blogs.

In een wereld die gevormd is door de wetenschappelijke revolutie, geloven we niet meer in een superman-God die vanuit de hemel ons leven regelt. Maar de hedendaagse mens beseft ook dat er daarmee iets verloren is gegaan. Iets magisch, iets heiligs, iets dat ons boven onszelf uittilt. Waren we nog maar kind, schreef ik in een vorig blog.

Maar God maakte een comeback…

…zeggen sommige filosofen. Toen niemand het meer verwacht had. Er waren twee dingen voor nodig.

1. De dood van God. Eerst natuurlijk door Nietzsche, toen al snel door veel meer mensen. Maar door de verschrikkingen van de 1e en 2e wereldoorlog zelfs door theologen (zie dit vorige blog).
Het was de superman-God die overleed. De God die de nieuwe atheïsten nog steeds bestrijden. De God van de bovennatuurlijke ingrepen. Want God zwijgt, terwijl mensen elkaar afslachten. Hij komt niet te hulp. Weinig mensen geloven nog in de superman-God tegenwoordig. Zijn ter gravedraging is gelukt.

2. De dood van de mens als god. Hoe kleiner de rol van God werd in de afgelopen 500 jaar, hoe groter de rol van de mens. Vooruitgangsgeloof werd gemeengoed. En de druk op het individu nam toe (blog 3). We zijn zelf de baas in ons eigen leven. Met alle keuzestress van dien.
Maar dezelfde 1e en 2e wereldoorlog lieten ook zien dat de mens er een puinzooi van maakt. Religie leidt tot oorlog, ja, maar oorlog krijg je ook zonder religie. (zie dit vorige blog). De mens is net zo’n slechte god als dat de superman-God dat was.

Met God, zonder God. We komen er niet uit. Onze wereld wordt niet beter. We kunnen het zelf niet en God is onmogelijk.

…precies!

En daar begint de comeback van God. Zeggen filosofen als Derrida, John Caputo, Slavoj Zizek en anderen.

Want onmogelijke dingen, ontdekten zij, zijn eigenlijk bere-interessant. Onmogelijke dingen zijn de krachtigste dingen die er zijn in het leven. In een wereld waar mensen er een potje van maken, is het enige waarop we kunnen hopen het onmogelijke.

Kijk maar eens mee naar de onderstaande voorbeelden:

1. Democratie

Geen enkele Amerikaan gelooft dat-ie in een perfecte democratie leeft. Ik denk zelfs dat de meeste Amerikanen niet denken dat zoiets ooit mogelijk is: een perfecte democratie. Democratie is een hoog ideaal waar je altijd naar onderweg bent, maar waar je nooit aankomt.

2. Vergeving

Net als iemand iets vergeven. Iedereen die ooit echt iets is aangedaan kan erover meepraten. Vergeven kan niet. Het bestaat niet. Want je kunt niet vergeten, en je kunt niet rechtzetten. Soms kun je niet eens berouw verwachten (omdat iemand is overleden, of omdat iemand iets onbewust heeft gedaan). Maar wat voor zin heeft vergeving dan?

Maar daar komt Nelson Mandela om de hoek. Na een verwoestende rassenstrijd riep hij dat er vergeving nodig was. Waar haalde hij het lef vandaan! Een gotspe! Te veel gevraagd, te vroeg, te erg. Onmogelijk. Kan iemand Hitler ooit vergeven?

Nee. Vergeving is onmogelijk. Maar juist daarom zo krachtig.

3. Cadeau

Nog een voorbeeld: je wilt jouw liefde voor een persoon uitdrukken in een cadeau. Zonder aanleiding, gewoon omdat je gek op een persoon bent. Maar dat is een onmogelijkheid. Want hoe lief en altruïstisch je het ook bedoelt, met jouw cadeau komen verwachtingen. Sterker nog: je zadelt iemand misschien wel op met een schuldgevoel. Zo’n cadeau moet natuurlijk beantwoord worden! En hoe fantastisch je idee ook – je komt onherroepelijk in een CD-van-jou-CD-van-mij situatie terecht.

Een absoluut altruïstisch cadeau, een cadeau zoals een cadeau bedoeld is, is onmogelijk. Maar juist daarom zo krachtig. Een bijzonder cadeau blijft je je leven bij.

Nog zo’n woord: God

God is onmogelijk. Zoveel hebben we wel geconcludeerd na de voorgaande blogs. Maar, zeggen de voorgenoemde filosofen, juist daarom zo krachtig. ‘God’, ‘vergeving’ ‘cadeau’ – het zijn allereerst woorden, maar ze wijzen naar iets anders, iets groters. Woorden kunnen dat: verwijzen naar iets dat te groot is voor woorden.

Ze verwijzen naar iets dat buiten het domein van de mogelijkheden ligt. God is zelfs iets dat buiten het domein van de objecten ligt. En dus ‘is’ God niet een soort superman-God (zie blog 6). En hij ‘is’ ook niet in ons allemaal, net zo min als hij in Nelson Mandela ‘is’.

Deze traditie zegt: als we het over God hebben, dan gaat het niet over een ‘bestaand object’ maar over een event. Er zit een event verborgen in het woord God.

Dit doet sterk denken aan ‘God bestaat niet, hij gebeurt’ wat we bijvoorbeeld hoorden bij de ‘atheïstische dominee’ Klaas Hendrikse.

Toch klopt dat niet: deze theologische denktrant probeert juist een stap verder te komen dan vrijzinnige, liberale theologie (zie vorig blog). Want liberale theologie moet uit je eigen tenen komen. Hendrikse zegt: ‘als je God zoekt, moet je bij mensen zijn’. Vaak is het zouteloos (want de magie is weg) en je wordt er moe van (want je moet het zelf doen).

Maar de filosofische gedachte ‘God als event’ doet iets. Het roept iets op.

In beweging

Net zoals ‘democratie’ niet iets zouteloos is. Integendeel. Niemand gelooft dat het een haalbaar ideaal is, maar iedereen staat ervoor op de barricades. En net zoals ‘vergeving’ niet zouteloos is – oh nee, juist niet. Als het goed gebeurt, is vergeving één van de krachtigste dingen die er zijn, misschien weet je ook dat uit ervaring.

‘Democratie’, ‘vergeving’ en ‘God’ wijzen op events die je in beweging zetten, zoals niet veel andere dingen dat kunnen. Op onderzoek uit, onvermoeibaar. Hoe minder democratie er ergens bestaat, hoe harder je ernaar op zoek gaat. Hoe minder vergevingsgezind een omgeving is, hoe meer je ernaar snakt. Hoe minder God er in onze wereld overblijft, hoe meer je denkt: missen we niet iets?

Of zoals John Caputo zegt:

God does not exist, he insists.

God is de tante in je Facebook timeline. God is de trol. God laat zien dat jouw beeld van hem fout is. God sterft graag aan jouw beeld van hem, want hij is onmogelijk. Hoe meer God verdwijnt, hoe meer dat woord ons prikkelt. God is een open einde. God is een spel in de ballenbak van het leven.
What do I love when I love my God? Vraag Augustinus.

Niemand weet het antwoord. Nog steeds het niet. Niemand gaat het ooit weten. Maar er wordt onafgebroken gezocht.

Filosofie voor met het bord op schoot: Schopenhauer

je kunt dit blog ook luisteren – handig, met je bord op schoot! 

 

Een blogje voor bij de avondmaaltijd

Zo. Zit je lekker te eten? Ik wens je toe dat deze maaltijd het lekkerste is wat je ooit hebt gehad. Ik wens je toe dat de smaken in je mond perfect combineren met elkaar. Dat de textuur geweldig is. Dat je honger gestild wordt en dat je er weer tegen aankan. Gesterkt, verkwikt, gelaafd.

Tot je weer honger krijgt natuurlijk. Dan moet je weer gaan eten. En daarna weer – want dan heb je opnieuw honger gekregen.

En morgen nog een keer en overmorgen en over vijf jaar nog steeds.

Het hoogtepunt der hoogtepunten

Net als met seks trouwens. Daar krijg je nooit genoeg van. Of anders gezegd: je bent nog niet klaargekomen of je denkt al aan de volgende keer. En se volgende keer wordt beter. Steeds beter, steeds lekkerder, op zoek naar het hoogtepunt der hoogtepunten.

Goeie kans dat je in je werk hetzelfde doet. Je zit nu misschien lekker maar je houdt oren en ogen open. Of je dit helemaal niet lekker en je loert op een volgende uitdaging. Jaa, een nieuwe uitdaging, dat zou top zijn. De ideale baan, dat zou geweldig zijn, het liefst met een ideaal salaris. Als dat toch lukt, dan ben je gelukkig. Dan kun je eten wat je wilt. Lekker eten. Het beste eten. Michelin ster eten. Heerlijk. Verzadigdend, gesterkt, verkwikt, gelaafd.

Tot de volgende ochtend. Dan heb je weer honger. En meer zin in seks dan om aan je werk te gaan.

Schopenhauer

wat is dat toch? Wat zorgt er toch voor dat we zo onrustig streven en zoeken en nieuwe dingen willen? Hoe kan het eigenlijk dat ons leven een groot vermoeiend streven is? Wat is het dat ons continu aanzet tot meer en meer en meer en nog meer?. Niemand ontsnapt er aan, en zelfs de meest kluizenaar-achtige types geloven we nooit helemaal. Het kan niet anders of ze maken wel eens een misstap.

De 19e eeuwse filosoof Schopenhauer zegt: dat is de wil tot leven. Een diepe kracht, in ons allemaal die ons aanstuurt alsof we marionettenpoppen zijn. We dansen ons hele lange leven lang naar de pijpen van de wil tot leven. De wil tot leven maakt dat je hier nu zit te eten, dat je vriendelijk naar elkaar knikt, dat je doet alsof het heerlijk is, en dat je je lippen aflikt. terwijl je eigenlijk gewoon wordt voortgestuwd door die wil tot leven. De wil tot leven die zegt: als je niet eet, ga je dood. Marionettenpoppen. Met kauwende kaken.

Onzekerheid in de filosofie

In de 18e eeuw deed een nieuw soort onzekerheid z’n intrede in de filosofie. Deze onzekerheid was diepgaander, heftiger, erger dan alles wat er daarvoor voor onzekerheid was geweest. Deze onzekerheid was allesomvattend. En deze onzekerheid was onoplosbaar – althans, zo was het bange vermoeden. David Hume was de eerste die ermee kwam. En Immanuel Kant ging ermee verder.

Ha! Wetenschap, zei David Hume (zie dit blog). Vooruitgang! Laat me niet lachen. Wie vertelt ons dat hoe wij, rationele mensen, de wereld zien en begrijpen, wie vertelt ons dat dat klopt? Hoe weten we zo zeker dat onze wetenschappelijke blik niet een verzonnen verhaaltje is?

En Immanuel Kant (zie hier), een van de grootste filosofen van de moderne tijd zei: David Hume heeft gelijk. Het is net alsof we allemaal een bril op hebben waarmee we naar de wereld kijken. Zonder bril zien we niks. En met bril kunnen we wetenschap maken. Of religie of sprookjes over onze wereld. Iedereen heeft zo’n bril. Ook jij, hier aan tafel. Want zonder bril zie je niks. Zonder bril kun je niet denken, de bril zorgt ervoor dat je grip krijgt op de wereld. De bril is de manier waarop jouw brein werkt. De bril is de manier waarop jouw brein iets probeert te snappen van de grote verwarrende buitenwereld. Een hond heeft waarschijnlijk ook een bril. Een hondenbreinbril. Maar dat is een heel andere bril.m dan jouw bril.

Maar dan komt de onzekerheid: hoe ziet de wereld eruit lòs van onze bril? Wat is de wereld achter jouw bril, mijn bril en die van de poedel van Schopenhauer of Jayne Mansfield? Wat weten we eigenlijk over de echte wereld? Wat weten we van de dingen ‘an sich’?

Niks, zegt Kant. Niks, zegt Hume. Onzekerheid.

Marionettenpoppen

Ho wacht! Zegt Schopenhauer. Ik heb een idee.

Het is niet iets wat je kunt zien. Je kunt het niet bestuderen. Je komt het niet tegen op straat. Nee, de echte wereld kom je tegen aan je binnenkant.

De echte wereld, het ding an sich, is de wil tot leven. Die voortstuwende kracht die maakt dat je nu boven je bordje hangt. Malende kaken.

Arme jij. Arme ik. Arme wij allemaal. Marionettenpoppen van de wil tot leven. Jaa, zegt Schopenhauer, en die wil heeft niet het beste met je voor. Die wil heeft het beste met zichzelf voor. En daarvoor gebruikt hij jou.

De wil tot leven

De wil tot leven wil dat er geleefd wordt. En dus zet hij jou aan tot eten. Maar de wil tot leven wil ook dat er voortgeplant wordt. En dus zet hij jou je leven lang aan om een partner te vinden. Om seks mee te hebben. Om kinderen mee te maken. Maar de wil tot leven heeft daarbij niet jouw geluk op het oog. De wil tot leven heeft zichzelf op het oog. En daarom lijk jij niet op je partner. Jij zegt: ‘we vullen elkaar aan’ maar de wil tot leven zegt: ik moet jouw onhebbelijkheden compenseren. Lange mannen met korte vrouwen. Extraverte mensen met introverte. Slimme mensen gecombineerd met gezellige mensen. De wil tot leven drijft jou om een partner te zoeken die het beste nageslacht oplevert.

Misschien heb je het addertje onder het gras al door. Als het gelukt is met de kinderen, zit jij nog met die partner. Die lijkt niet op jou. En die heb je niet uitgezocht om het gezellig mee te hebben – ja, dat vertel je jezelf wel, maar de wil tot leven weet wel beter. Als het gelukt is met die kinderen, zit jij nog met die partner. Een lange lijdensweg. Uitzitten de rit.

Let maar eens op oude mensen. Ze hebben groeven in hun gezicht. Dat zijn groeven van teleurstelling in het leven. Groeven van continu naar iets streven en dan weer onverzadigd blijken. Groeven van steeds weer denken dat je gelukkig bent en dan weer een keiharde deceptie.

Wen er maar aan. Dit is het geheim van het leven. Het is de echte wereld. Dit is wat onkenbaar werd geacht – het is de wil tot leven. Marionettenpoppen zijn we. Met malende kaken.

Help

Wat kunnen we doen? Niet veel, zegt Schopenhauer. Er is geen ontkomen aan. Nouja, er zijn drie verzachtende strategieën. Hier komen ze:

  1. Probeer af en toe te vergeten. Als je een spannend boek leest. Of een goede film kijkt. Het is alsof je er zelf in zit. Dan vergeet je de tijd en je vergeet je eigen ego. Of: als je staat te genieten van een overweldigend uitzicht. Je wordt geconfronteerd met natuurgeweld. Dan denk je: wat stel ik nou eigenlijk voor?
    Goed zo, zegt Schopenhauer – voor een korte tijd overwin je de wil tot leven. Je eigen ego. Je streven naar meer voor jezelf.
  2. Wat ook kan is je met filosofie bezighouden. Want dan weet je tenminste dat je wordt voortgedreven door de wil tot leven. Misschien valt het leven dan minder tegen.
  3. Of je wordt toch kluizenaar. Zo goed en zo kwaad als het gaat. Je wordt kluizenaar en daarmee activist. Want dit is wat kluizenaars doen: zich verzetten tegen de natuurlijke impulsen. Ze vasten wanneer ze honger hebben, ze onthouden zich van seks. Ze hechten geen waarde aan materieel bezit of aan lekker eten en drinken. Allemaal om de wil tot leven te sarren.

Net goed.

Schopenhauer was zelf geen kluizenaar. Hij was wel ongelukkig en teleurgesteld. Zijn eerste boeken werden nauwelijks verkocht. Hij was ongelukkig in de liefde. Hij woonde jarenlang met z’n poedels als enige gezelschap, ergens in een flat. En hij hield van lekker eten en drinken. Misschien bevrijdde het hem heel even van z’n eigen misère. Malende kaken van een Marionettenpop.

God als superheld en waarom geloven vandaag de dag zo moeilijk is.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Er zijn maar weinig mensen die geloven in God tegenwoordig. Dat komt omdat iedereen denkt dat God een superheld is. Maar God is geen superheld. Terwijl onze wereld wel een superheld zou kunnen gebruiken.

Overdag een gewone sterveling, ‘s nachts de schrik van de misdaad: Batman. Talloze verhalen en films zijn er over hem verschenen en hij heeft nog altijd een trouwe schare fans.

Eigenlijk is Batman gewoon Bruce Wayne. Hij heeft een grotemensenbaan en ziet er onberispelijk uit. Pas ‘s nachts is Bruce Batman. Wie zou er niet willen zijn als Bruce?

Probleem

Maar de naïeve Batman heeft niet helemaal in de gaten dat de misdadigers die hij ‘s nachts bestrijdt, worden veroorzaakt door het systeem waar hij overdag aan bijdraagt. Misdadigers zijn de outcasts, zij kregen geen kansen, zij werden aangekeken op hun kleur, zij worden nooit ergens aangenomen. Misdadigers worden gecreëerd door het systeem waar ze zich tegen verzetten.

En dus dweilt Batman met de kraan open. Als het systeem van ‘overdag’ niet verandert, blijven er misdadigers ontstaan, hoeveel hij er ‘s nachts ook bestrijdt.

God

Bijna alle mensen van vandaag de dag rekenen God (onbewust) tot de superhelden. Sommige mensen geloven dat zo’n superheld-God echt bestaat (net als bij Batman). Hij is druk bezig om al jouw en mijn problemen op te lossen. Hij kan bovennatuurlijke dingen doen en bemoeit zich actief met jouw leven.

Veel atheïsten baseren zich trouwens ook op zo’n superheld-God. Lees de boeken van ‘nieuwe atheïsten’ als Dawkins, Harris en Hitchens maar eens. De God waar ze heel sterk niet in geloven, is net Batman.

Want ook als je niet in God gelooft, moet je een beeld hebben van waar je dan precies niet in gelooft. En dus heeft iedereen wel een beeld van God.
En dat beeld van God is bijna altijd God-als-superheld. Dat zit zo:

Geschiedenis

Sinds de wetenschappelijke revolutie zijn moderne mensen gewend om de wereld met een wetenschappelijke bril te bekijken. Descartes begon er al mee. In een door religieuze oorlogen verscheurde tijd stelde hij voor: laten we nou eens beginnen bij de ratio – niet bij geloof.

En hoe belangrijker die rationele bril werd, hoe moeilijker het werd om nog te geloven in een superheld-God, die op bovennatuurlijke wijze ingrijpt in onze wereld (zie ook blog 2).

Zelfs theologen geloofden niet meer in die superheld-God. In blog 5 zagen we hoe Dietrich Bonhoeffer, opgesloten in een concentratiekamp, definitief stopte met geloven in zo’n God (daar noemde ik hem de ‘God of the gaps’).

Van God kun je niet meer zeker zijn, concludeerden alle grote denkers. Maar om ‘m nou direct dood te verklaren (zoals Nietzsche later deed) is ook zo wat. God is nog wel ergens goed voor: om mensen te inspireren en te helpen om goed te doen in de wereld.
In een wereld waar God nooit ingrijpt, moeten mensen hun eigen boontjes doppen en daar kunnen ze best wat inspiratie bij gebruiken. Immanuel Kant en John Locke kozen deze lijn. Geloven in God helpt je om een goed mens te zijn, zeiden ze. God grijpt niet in, maar je komt wel verder als je in hem gelooft.

Van God naar mens

En zo krijg je vanaf de Verlichting iets dat ‘liberale theologie’ heet. Alle bovennatuurijke randjes en elk bovennatuurlijk ingrijpen wordt weggehaald bij God. Wat overblijft is inspiratie, mooie woorden en een aanmoediging om zelf iets goeds van de wereld te maken. Er zijn vandaag de dag nog steeds veel liberale kerken waar je iets dergelijks hoort.

God verdwijnt naar de achtergrond. En niet veel later was hij dood (volgens Nietzsche). Wat overblijft is de mens. Het liefst de beste exemplaren die we hebben. Nelson Mandela, Martin Luther King, Ghandi.

De mens vergoddelijkt, zoals ook Mandela, King en Ghandi een bijna goddelijke status hebben. Zij zijn de inspiratiebronnen van de moderne tijd. Als er mensen zijn die iets van God begrepen hebben, dan zijn zij het. Als je iets van God wilt zien, kijk dan naar hen.

Evaluatie

Die liberale theologie heeft een groot voordeel: je hoeft niet meer te geloven in een onwaarschijnlijke superman-God. Geloven in God kan prima met een wetenschappelijke bril op. God kan inspireren tot een beter leven, zoals ook Mandela, King en Ghandi inspireren. Maar liberale theologie heeft ook een nadeel: we moeten het alleen doen (zie ook blog 4). Goed mens zijn, de wereld verbeteren, Gods koninkrijk op aarde realiseren, alles ligt op ons bord.

En wij, mensen, worden daar moe van. We zijn er trouwens ook niet zo goed in. Als de 20e eeuw iets heeft laten zien, dan is het dat mensen elkaar verschrikkelijke dingen aandoen. Daar heb je geen God voor nodig: communisme, fascisme, nazisme, kapitalisme.

Met z’n allen hebben we het Batman-probleem. Onze beste helden bestrijden ‘s nachts het kwaad, dat we overdag met z’n allen creëren.
Daar komt bij: Batman is ook maar een mens. Anders dan veel andere superhelden heeft hij geen bovennatuurlijke krachten. Wat we eigenlijk nodig hebben, is een supermens. Eentje met bovennatuurlijke krachten. Maar ja, daar geloven we niet meer in.

De spagaat van veel gelovigen

Veel gelovigen zitten in deze spagaat. Het superheld-geloof in veel orthodoxe geloof is niet te verenigen met de rest van het leven (of die boodschap nou wordt verpakt in een hippe, postmodern ervaringsgerichte beleving of niet). En bij liberale vormen loop je de deur uit en denk je: is dit het nou?

Waren we nog maar jong en naïef. Dan konden we geloven in Batman en Superman en in superman-God. Maar we zijn wereldwijs geworden. We geloven niet meer in sprookjes en onze wereld is een beetje zouteloos geworden.

Op weg naar een nieuwe theologie

Er zijn theologen die zeggen: er is een nieuwe theologie nodig. Een postmoderne theologie. Een theologie na de dood van God. Die is niet naïef is en ook niet zouteloos.

Sommige theologen zeggen dat die theologie er al is. God is bezig met een comeback. En deze begint in de filosofie. De laatste twee blogs gaan daarover.
Inspiratie voor dit blog komt uit Phil Sneider: Preaching after God: Derrida, Caputo, and the Language of Postmodern Homiletics

God is dood en hij zit ook niet op Facebook helaas

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Honden lijken vaak op hun baasjes. Jouw hond zegt iets over jou. Net als je God. Die zegt ook iets over jou. Maar als-ie er is, die God, dan gaat hij niet aan jouw leiband lopen. Dat hebben we in de afgelopen 100 jaar geleerd in Europa.

Lijken op je hond

God is dood, hebben we in het vorige blog gezien. En Nietzsche zegt: nu moeten we worden als een kind. Veel mensen doen iets anders. Ze worden zoals hun hond.

Misschien ken je ze wel: mensen die op hun hond gaan lijken. Het is misschien ook wel logisch. In veel gevallen zegt je hond iets over jou. Je kiest een hond uit op basis van wat jij belangrijk vindt. Motor-freaks hebben eerder een boxer dan een chihuahua. Familiemensen hebben labradors en sportievelingen hazewindhonden.

Hetzelfde geldt voor jouw Facebookprofiel.

In je Facebookbubbel

Facebook is de etalage van het leven, en let op: dat is niet alleen als je regelmatig berichten post. Ook de mensen, bedrijven en instellingen die jij toelaat in jouw tijdlijn, vormen samen jouw uithangbord. In de meeste gevallen staan er dingen in waar jij graag mee geassocieerd wilt worden.
Maar gelukkig heeft iedereen een trol in z’n tijdlijn. Een bijzondere buurman, een vergeten tante of iemand anders die nét iets te vaak berichten plaatst die je nét te vaak leest. Het zijn de mensen waarvan je regelmatig denkt: ik ga ze binnenkort ontvrienden – of uitzetten, dat kan ook tegenwoordig.

Er wordt veel negatiefs gezegd over die Facebook-etalages. Het is een filterbubbel waarbinnen iedereen een eigen wereld kan scheppen. Maar mensen doen dit al jaren. Vroeger heette het verzuiling en nog weer eerder was het misschien je godsdienst of lokale cultuur. We vertellen onszelf van oudsher verhalen over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. En we geloven er nog in ook.

Imaginair, symbolisch, werkelijk

Jacques Lacan, een psychiater uit de 20e eeuw heeft hier veel over nagedacht. Hij stelt: de mens valt te begrijpen vanuit drie niveaus: het imaginaire, het symbolische en het werkelijke.

  1. Je zou de Facebook-etalage kunnen zien als het imaginaire. Het kunnen ook religieuze verhalen zijn of nationale feestdagen (Sinterklaas bijvoorbeeld). Ze zijn zo vanzelfsprekend dat je af en toe vergeet dat het constructen zijn. ‘Pas na de uitslag van de verkiezingen ontdekte ik dat alleen mensen in mijn netwerk op GroenLinks stemmen’ – hoorde ik iemand zeggen.
  2. Vanzelfsprekend, maar niet onschuldig, zegt Lacan. Want je Facebookprofiel gaat wel ergens over. Het representeert hoe jij op een diep niveau (het symbolische) naar de wereld kijkt. En meestal vind je het niet relaxt als iemand daar serieuze vragen bij stelt. Dat verklaart waarom mensen zo kwaad kunnen worden over een ‘onschuldig’ Sinterklaasfeest of ‘onschuldige’ politieke meningen.
  3. En dan is er nog ‘het werkelijke’, zegt Lacan. Dat is je oude buurman of je tante in je tijdlijn. Die is niet zozeer ‘meer waar’ dan jouw werkelijkheid, maar zo’n trol confronteert je wel dat jouw Facebook-etalage niet alles is. Dat de wereld groter is dan dat. En hoewel je heus wel weet dat dat zo is, heb je toch zin om je buurman uit te zetten.

Lijken op God

Sommige mensen lijken liever op hun God dan op hun hond. Maar ze lopen hetzelfde risico, namelijk dat ze hun God uitkiezen op basis van hoe ze zelf willen zijn. ‘God met ons’ kun je dan horen. Maar ze bedoelen: wij weten hoe het zit en hebben God daarop aangepast.

Het is niet zo moeilijk om God voor je karretje te spannen. Net als bij honden is het moeilijk om na te gaan wat God er echt van vindt. Je kunt ‘m niet zomaar opbellen. En dus kom je een heel eind met jouw versie van God. Je kunt God zelfs dood verklaren, zonder dat hij tegenstribbelt.

Theologie na de dood van God

Juist die zwijgende God is de laatste tijd door theologen omarmt. Want God zwijgt niet alleen als er bommen worden gegooid in zijn naam, maar hij zwijgt ook als de slachtoffers lijden. Dat is althans wat een aantal invloedrijke theologen heeft beschreven vanuit een concentratiekamp in nazi-Duitsland.

Bonhoeffer zegt het ongeveer zo: in het concentratiekamp moest ik afrekenen met God. Het was een specifieke variant van God: de God of the gaps. Het is de God die een antwoord geeft op dingen die wij niet snappen. Vroeger was God bijvoorbeeld het antwoord op de vraag waarom het ging onweren. En God is degene op wie je hoopt als alles misgaat (zie ook dit vorige blog). Bijvoorbeeld als je in een concentratiekamp zit. Maar, zegt Bonhoeffer, God doet niets hier. Hij zwijgt.

De joodse theoloog Elie Wiesel maakt iets vergelijkbaars mee. Hij beschrijft hoe er in Auschwitz acht gevangen aan de galg werden opgehangen. De rest van het kamp moest langslopen om te zien hoe ze stierven. Een van hen was een kind van 8. Het kind was zo licht dat het minuten duurde voordat het stierf.

Elie Wiesel beschrijft in z’n boek Night hoe hij langsliep en iemand hoorde fluisteren: ‘waar is God?’ Want er gebeurde niets. Er was geen verklaring. God zweeg.

Een afsterfende God

Het idee dat God dood is, is voor veel mensen heel herkenbaar. Het is soms ook heel gezond. Zo’n God die sterft is de imaginaire God. Het is Lacan’s 1e niveau. Het is de God die je hebt gemodelleerd naar hoe je wilt dat de wereld eruit ziet. God is met ons.

Het gevaar van een imaginaire God, is dat je God doet lijken op jezelf. Net als met die honden. En om deze reden is het verboden in de joodse, islamitische en christelijke cultuur om God af te beelden. God wordt aangeduid met namen die je niet mag uitspreken. Je mag geen beelden maken. Dat mag niet, want God is meer dan het imaginaire – zegt deze traditie.

God is geen sprookje, God is geen verhaaltje voor het slapen gaan. God is meer dan dat. God is ‘het werkelijke’, zegt deze traditie. God is altijd degene die jou laat zien dat je beeld van God onvolledig is. God is je buurman, je tante. God is de trol in je Facebook-etalage. God is Lacan’s 3e niveau.

Toen Elie Wiesel in het concentratiekamp de vraag hoorde ‘waar is God?’, toen hoorde hij daarna nog een stem, een stem van binnenuit. ‘Daar’, zei de stem. ‘Daar, dat kind aan de galg, dat is God’. God is niet wat je dacht dat hij was. Hij sterft aan zichzelf.

Veel hiervan is terug te vinden bij Peter Rollins, bijvoorbeeld in het interview door Rob Bell, check hier

Beeld: Mensen lijken op hun honden (volgens de advertentie van Cesar), zie hier.

Vier filosofen om je te begeleiden bij je goede voornemens

Goeie voornemens – you’ve gotta hate’em. Toch beginnen veel mensen er elk jaar weer aan – jij misschien ook. Dit jaar hebben we een aantal filosofen uitgezocht die je kunnen bijstaan. Ook als je je voornemens (weer) niet gaat halen. Denkjewel!

 

1. Vooraf

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat je begonnen bent met goede voornemens. Goeie kans dat je vorig jaar ook al iets probeerde en goeie kans dat het mislukt is. En elk jaar heb je weer genoeg geloof om eraan te beginnen.

Misschien moet je daarmee ophouden: echt denken dat het gaat werken. En gelukkig is er dan Augustinus. Weinig filosofen zijn zo druk bezig geweest om te laten zien dat de mens van nature slecht is dat echte verbetering je nooit zal gaan lukken.

Lekker dan, denk je misschien. Maar er zit ook een voordeel aan: de verwachtingen blijven lekker laag. Kijk maar gauw het filmpje dat Alain de Botton maakte over Augustinus:

2. De moed begint je in de schoenen te zinken

Je bent al even bezig, maar het is moeilijker dan je dacht. Je hebt nog geen grote fout begaan maar een peptalk zou je kunnen gebruiken. Karl Marx gaat je helpen.

Maar Marx heeft een hekel aan theoretisch geouwehoer. Filosofen doen het, religieuze mensen doen het, eigenlijk doet iedereen het. Als we niet oppassen zijn we de hele dag bezig (via Facebook bijvoorbeeld) om ons eigen wereldbeeld te bevestigen. We lezen de kranten waar we het van tevoren al ongeveer mee eens zijn, we volgen pagina’s die zeggen wat wij denken en we kijken alleen naar TV die in ons straatje past. Het is als een drug die je ogen sluit voor de echte wereld, zegt Marx. Vandaar zijn beroemde quote:

‘religie is de opium van het volk’.

Natuurlijk, Facebook, opium, drank en religie leveren fantastische ervaringen op. Maar het nadeel is ook duidelijk: het leidt af van de echte wereld, door te vluchten in een wereld die als een deken over je eigen wereld ligt. Jouw taak als mens, zegt Marx is anders:

‘Het komt er niet op aan de wereld te begrijpen, maar om haar te veranderen.’

Geef jezelf een schop onder je kont. Aan de slag. Al dat gepieker (en gelees!) over goede voornemens is maar afleiding. Verander je wereld! Vandaag nog! (meer over Marx in dit filmpje (2.5 minuut))

3. Ai. Je bent de fout ingegaan

Ongelooflijk. Gaat het weer mislukken dit jaar? Maar misschien is het nog niet te laat. Immanuel Kant helpt.

Je bent vaak geneigd je goede voornemens af te rekenen op of je ze gehaald hebt of niet. En als het niet gelukt is, reken je jezelf er weer helemaal op af. Maar Immanuel Kant roept je tot de orde. We leven in een wereld waarin veruit de meeste dingen die gebeuren, gebeuren om redenen die buiten onszelf liggen.

Als je een bepaald voornemen hebt (meer sporten, meer tijd voor je familie) dan zijn er legio dingen buiten jezelf die ervoor kunnen zorgen dat je het voornemen niet haalt (je raakt verlamd, je familie verhuist naar Australië, ik noem maar wat).

Als dat zo is, zegt Kant, dan is de intentie (het voornemen zelf) dus veel belangrijker om te hebben, dan de uitkomst ervan. Vertel dat jezelf op dit moment. Ja, je bent de fout ingegaan, maar je intentie was al veel belangrijker. Misschien geeft dat je kracht om door te zetten.

4. Je geeft op

Helaas, het is niet gelukt. Net als bij ieder ander die je kent trouwens. Wat jij nodig hebt, is een flinke shot determinisme van de Griekse filosofische school ‘Stoa’. Simpel gezegd houdt dat in dat het allang vast stond dat je zou falen. Alles staat al vast (zegt de Stoa. Wat jij vanavond op je bord hebt liggen staat al vast voordat je weet waar je zin in hebt.

Je sterfdatum staat ook al vast. En of je dit jaar verliefd wordt ook. De Stoa gaat een stap verder dan Kant. Als alles al vastligt, zeggen zij, dan is er voor jou maar één ding belangrijk: je eraan over geven. Het stomste wat je zou kunnen doen in een wereld waarin alles vaststaat, is ervan balen dat de dingen gaan zoals ze gaan (ook al zou die emoties ook al vaststaan natuurlijk).

Dit blog is ook voorbestemd (volgens de Stoa) en ook dat jij naar aanleiding hiervan gaat proberen je te verzoenen met hoe de dingen gaan. Ook als dat betekent dat je je goede voornemens niet hebt gehaald. Niet kwaad worden op jezelf, maar denken: ach nou ja, zo heeft het moeten zijn.

Jammer?

Ach nou ja, we wisten van tevoren dat het niet zou gaan lukken. En het is maar de vraag of je er met filosofie echt beter in zou worden. We sluiten af met een quote van Nietzsche. Een beetje cynisch misschien, maar wel lekker realistisch. Op een realistisch 2017!

Leven is lijden. Maar overleven is betekenis vinden in dat lijden.