Vier filosofen om je te begeleiden bij je goede voornemens

Goede voornemens vallen nooit mee. Gelukkig is er een filosofische traditie die erbij kan helpen. Zelfs als het je (weer) niet lukt.

Goeie voornemens – you’ve gotta hate’em. Toch beginnen veel mensen er elk jaar weer aan – jij misschien ook. Dit jaar hebben we een aantal filosofen uitgezocht die je kunnen bijstaan. Ook als je je voornemens (weer) niet gaat halen.

1. Vooraf

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat je begonnen bent met goede voornemens. Goeie kans dat je vorig jaar ook al iets probeerde en goeie kans dat het mislukt is. En elk jaar heb je weer genoeg geloof om eraan te beginnen.

Misschien moet je daarmee ophouden: echt denken dat het gaat werken. En gelukkig is er dan Augustinus. Weinig filosofen zijn zo druk bezig geweest om te laten zien dat de mens van nature slecht is dat echte verbetering je nooit zal gaan lukken.

Lekker dan, denk je misschien. Maar er zit ook een voordeel aan: de verwachtingen blijven lekker laag. Kijk maar gauw het filmpje dat Alain de Botton maakte over Augustinus:

2. De moed begint je in de schoenen te zinken

Je bent al even bezig, maar het is moeilijker dan je dacht. Je hebt nog geen grote fout begaan maar een peptalk zou je kunnen gebruiken. Karl Marx gaat je helpen.

Maar Marx heeft een hekel aan theoretisch geouwehoer. Filosofen doen het, religieuze mensen doen het, eigenlijk doet iedereen het. Als we niet oppassen zijn we de hele dag bezig (via Facebook bijvoorbeeld) om ons eigen wereldbeeld te bevestigen. We lezen de kranten waar we het van tevoren al ongeveer mee eens zijn, we volgen pagina’s die zeggen wat wij denken en we kijken alleen naar TV die in ons straatje past. Het is als een drug die je ogen sluit voor de echte wereld, zegt Marx. Vandaar zijn beroemde quote:

‘religie is de opium van het volk’.

Natuurlijk, Facebook, opium, drank en religie leveren fantastische ervaringen op. Maar het nadeel is ook duidelijk: het leidt af van de echte wereld, door te vluchten in een wereld die als een deken over je eigen wereld ligt. Jouw taak als mens, zegt Marx is anders:

‘Het komt er niet op aan de wereld te begrijpen, maar om haar te veranderen.’

Geef jezelf een schop onder je kont. Aan de slag. Al dat gepieker (en gelees!) over goede voornemens is maar afleiding. Verander je wereld! Vandaag nog! (meer over Marx in dit filmpje (2.5 minuut))

3. Ai. Je bent de fout ingegaan

Ongelooflijk. Gaat het weer mislukken dit jaar? Maar misschien is het nog niet te laat. Immanuel Kant helpt.

Je bent vaak geneigd je goede voornemens af te rekenen op of je ze gehaald hebt of niet. En als het niet gelukt is, reken je jezelf er weer helemaal op af. Maar Immanuel Kant roept je tot de orde. We leven in een wereld waarin veruit de meeste dingen die gebeuren, gebeuren om redenen die buiten onszelf liggen.

Als je een bepaald voornemen hebt (meer sporten, meer tijd voor je familie) dan zijn er legio dingen buiten jezelf die ervoor kunnen zorgen dat je het voornemen niet haalt (je raakt verlamd, je familie verhuist naar Australië, ik noem maar wat).

Als dat zo is, zegt Kant, dan is de intentie (het voornemen zelf) dus veel belangrijker om te hebben, dan de uitkomst ervan. Vertel dat jezelf op dit moment. Ja, je bent de fout ingegaan, maar je intentie was al veel belangrijker. Misschien geeft dat je kracht om door te zetten.

4. Je geeft op

Helaas, het is niet gelukt. Net als bij ieder ander die je kent trouwens. Wat jij nodig hebt, is een flinke shot determinisme van de Griekse filosofische school ‘Stoa’. Simpel gezegd houdt dat in dat het allang vast stond dat je zou falen. Alles staat al vast (zegt de Stoa. Wat jij vanavond op je bord hebt liggen staat al vast voordat je weet waar je zin in hebt.

Je sterfdatum staat ook al vast. En of je dit jaar verliefd wordt ook. De Stoa gaat een stap verder dan Kant. Als alles al vastligt, zeggen zij, dan is er voor jou maar één ding belangrijk: je eraan over geven. Het stomste wat je zou kunnen doen in een wereld waarin alles vaststaat, is ervan balen dat de dingen gaan zoals ze gaan (ook al zou die emoties ook al vaststaan natuurlijk).

Dit blog is ook voorbestemd (volgens de Stoa) en ook dat jij naar aanleiding hiervan gaat proberen je te verzoenen met hoe de dingen gaan. Ook als dat betekent dat je je goede voornemens niet hebt gehaald. Niet kwaad worden op jezelf, maar denken: ach nou ja, zo heeft het moeten zijn.

Jammer?

Ach nou ja, we wisten van tevoren dat het niet zou gaan lukken. En het is maar de vraag of je er met filosofie echt beter in zou worden. We sluiten af met een quote van Nietzsche. Een beetje cynisch misschien, maar wel lekker realistisch. Op een realistisch 2017!

Leven is lijden. Maar overleven is betekenis vinden in dat lijden.

Filosofie voor als je met je mond vol tanden staat

Suikertaks. Kantoornomade. Nieuwe woorden zijn nodig voor nieuwe fenomenen. Maar nieuwe woorden kunnen ook goed zijn voor oude dingen. Een pleidooi.

Ken je het gevoel met je mond vol tanden te staan? Dat iemand iets zegt dat zo verbijsterend is, dat je er geen woorden voor hebt? Of dat iemand iets onbehoorlijks tegen je zegt en je pas later realiseert hoe je graag had willen reageren?

De woorden komen na de dingen

Eigenlijk is het met alles zo: eerst ontstaat er iets, daarna vinden mensen er woorden voor. Soms zijn die woorden er al, soms moeten ze ter plekke bedacht worden. Sjoemelsoftware. Suikertaks. Kantoornomade. Dat zijn de nieuwe woorden van 2016 – bedacht om een fenomeen (dat er opeens was) te omschrijven.

(De enige uitzondering die ik kan bedenken is het Higgs-boson – het deeltje dat er moest zijn, maar dat niemand ooit nog had waargenomen. Maar goed, daar was dan ook het peperdure CERN voor nodig en 40 jaar onderzoek.)

Bestaat blauw?

Dit proces gaat natuurlijk al de hele geschiedenis door. In de oertijd hadden mensen dus minder woorden en later werden dat er steeds meer. Het begon allemaal (waarschijnlijk) met hele basale woorden, die je ook een kind als eerste aanleert: ik, wij, jij, drie. (check dit onderzoek hierover).

Woorden voor minder eenduidige dingen zijn van latere datum. Kleuren bijvoorbeeld. Ik was zeker 17 jaar oud toen ik pas wist wat ‘turquoise’ was. Daarvoor was het gewoon blauw natuurlijk, of groen-blauw.

Maar er is een filmpje op het internet dat stelt dat het idee ‘blauw’ zelf ook nog niet zo oud is. Homerus, de bijbel en andere oeroude bronnen spreken over een ‘grijsgroene zee’, maar nooit over een blauwe. Zagen zij wel blauw?

Denken zonder woorden

Niet iedereen denkt dat de theorie in het filmpje klopt, maar het is een interessant idee: kun je iets zien, kun je iets kennen als er nog geen woord voor is?

Van Eskimo’s wordt wel eens gezegd dat ze heel veel woorden hebben voor ‘sneeuw’. Ik weet niet of het zo is, maar ik kan het me voorstellen. Als je er vaak mee te maken hebt, dan zie je andere dingen. In Nederland sneeuwt het zo weinig dat één woord volstaat. Maar zien Nederlanders in sneeuw wat een Eskimo zou zien? Kennen ze de sneeuw zoals Eskimo’s? Waarschijnlijk niet.

Trek je mond maar open

Ook vandaag de dag komen we nog regelmatig dingen tegen die zorgen dat we met onze mond vol tanden staan. Er moeten nog nieuwe woorden voor gevonden worden of de oude woorden volstaan niet.

Je hoort bijvoorbeeld wel eens dat de scheiding tussen politiek links en rechts niet meer opgaat sinds de opkomst van de PVV. Of dat het woord ‘terrorisme’ wordt eenzijdig gebruikt (alleen bij niet-blanke mensen). Onlangs verscheen er een dik boek over het woord ‘populisme’. Je wordt er mee platgegooid in de krant en op het journaal, maar eigenlijk weet niemand precies wat het betekent. (Lees de Volkskrant-recensie hier.)

Beter lijkt het om nieuwe woorden te maken voor nieuwe fenomenen. En ze dan hardnekkig te gaan gebruiken. Doe je toch nog iets zinnigs met je mond vol tanden.

Ook filosofen rekenen: Al-Khwarizmi

Veel wetenschap begint bij rekenen, bij de wiskunde. Zo ook de wetenschap in het Arabische Rijk. De belangrijkste figuur daarin: Al-Khwarizmi.

Wetenschap ontstaat uit onwetendheid, zegt de schrijver Harari. En onwetendheid kan leiden tot nieuwsgierigheid. Ik schreef erover in een vorig blog. Maar hoe ontstaat zulke nieuwsgierigheid? In de Islamitische wereld zag het er ongeveer zo uit:

Uitdagingen

Toen het Islamitische rijk in de 8e eeuw enorm groot was gegroeid, ontstond er een dringende behoefte aan kennis. De politieke leiders uit die tijd werden geconfronteerd met splinternieuwe politieke uitdagingen. Hoe bestuur je een rijk dat zo groot is? Hoe weet je überhaupt hoe groot het is? Hoe hef je belasting?

Maar de Islam als splinternieuwe religie bracht ook z’n uitdagingen met zich mee. Wat is de juiste bidrichting naar Mekka als je weet dat de aarde bolvormig is? (een vliegtuig naar New York vliegt immers ook nooit rechtstreeks over de globe, maar altijd met een boogje). Of: hoe zorg je ervoor dat de enorm gedetailleerde erfeniswetten van de Koran op de juiste manier worden uitgevoerd?

Op de schouders van reuzen

Het antwoord op veel van deze vragen kwam van wetenschappers. Zij haalden kennis en wijsheid uit de verschillende beschavingen die het Islamitische rijk had overgenomen (Byzantijnen, Perzen, Hindoe-volken en meer) en ontwikkelden hun eigen wetenschap.

En al snel ontdekte men dat als je ergens moest beginnen, dan was het wel bij de wiskunde. Al-Khwarizmi kreeg de delicate opdracht nou eens een compleet wiskundig systeem te ontwikkelen, op basis waarvan de wetenschap weer verder kon. In de inleiding van zijn boek schrijft hij:

“ik ga de makkelijkste en handigste rekenkunde onderwijzen, die men vaak nodig heeft in: erfrecht, nalatenschappen, onderverdeling, rechtspraak en handel, en in al het andere normale menselijke verkeer, of met betrekking tot het graven van grachten, geometrische berekeningen en berekeningen van andere objecten.”

Kortom: voor alles.

Al-Khwarizmi’s wiskunde: 0 en x

En Al-Khwarizmi doet drie dingen: hij importeert het Indiase getalsysteem. De Romeinse of Griekse cijfers zijn alleen maar ingewikkeld zegt hij, maar met het Indiase getalsysteem heb je maar 10 tekens nodig. We gebruiken het tot op de dag van vandaag.

Met dat Indiase getalsysteem is iets bijzonders aan de hand. Er is een teken voor de 0. En dat had geen enkel ander systeem tot dan toe. Want het concept 0 is toch een beetje vreemd. Je kunt het niet delen, je kunt er moeilijk mee rekenen, 0 is natuurlijk niks (en waarom zou je er dan een teken voor hebben). En, de 0 was een beetje spannend. Het niets, de leegte, het zwarte gat: iets om bij weg te blijven (zie bijvoorbeeld deze ‘biografie van het gevaarlijke idee 0’.0.

Al-Khwarizmi doet nog iets. Hij introduceert algebra. En in vergelijking met klassieke rekenkunde introduceert hij dus het rekenen met het concept ‘x’. In plaats van: 2+3=? introduceert Al-Khwarizmi: 2+x=5. Zeker bij complexe sommen is dit een enorme uitkomst.

Maar voor ‘x’ geldt hetzelfde als voor 0: wat is het? Het is onwetendheid, het is iets niet weten. Het is staan in onzekerheid. ‘Nergens voor nodig’, zeggen veel tijdgenoten en zeiden veel culturen (zie mijn vorige blog). Maar Al-Khwarizmi doet het toch.

De filosoof

Met ‘x’ en ‘0’ waagt deze wetenschapper zich op gevaarlijk terrein. Het gevaar van dingen willen weten die misschien wel niet voor je oren bestemd zijn. Maar Al-Khwarizmi gaat de uitdaging aan. Hij wil weten. Hij gaat zoeken. De wiskundige Al-Khwarizmi is filosoof in z’n puurste vorm: iemand met liefde voor de wijsheid.

“The Scientific Revolution has not been a revolution of knowledge. It has been above all a revolution of ignorance.”

Harari, Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid

De onwetendheid van wetenschappers (en waarom dat goed is)

Wetenschappers weten dingen. Maar tegelijkertijd weten vooral wetenschappers dat onwetend zijn. En dat idee moeten ze koesteren.

Stel je bent 7 jaar. En je hebt een moeilijke (filosofische) vraag. Bijvoorbeeld: waar komt de wereld vandaan? Dan stel je die vraag aan (bijvoorbeeld) je vader. Meestal krijg je dan een antwoord dat je weer even gerust stelt.

Maar stel nou dat je 7 jaar bent en in de tijd van vóór de wetenschappelijke revolutie leeft. Dan loopt je vader door naar de pastoor of imam. En als de pastoor of imam zegt: dat weet ik niet, dan gaat je vader weer terug naar huis en dan zegt-ie tegen jou: niet belangrijk.

En daar moet je het dan mee doen.

Kerninzicht

Dit is een kerninzicht om iets te snappen hoe er, de geschiedenis door, vaak gedacht is (voor de wetenschappelijke revolutie): alles wat belangrijk is, is geopenbaard in heilige boeken (Tora, Bijbel, Koran). En alles wat niet geopenbaard is in zo’n heilig boek is dus niet belangrijk om te weten. (want anders was het wel geopenbaard).

Het verklaart voor een deel waarom de wetenschappelijke revolutie ergens zo’n breuk was met voorgaande tijden. In voorgaande tijden werden veel vragen domweg niet (of minder) gesteld. Of in ieder geval niet (of minder) uitgezocht. Want het werd niet gezien als iets dan van belang zou kunnen zijn.

Onwetendheid en nieuwsgierigheid

De wetenschappelijke revolutie ontstond uit onwetendheid en nieuwsgierigheid. En uit de gedachte dat de autoriteit van weleer je eigenlijk niet verder kon helpen. In zijn boek ‘Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid‘ schrijft Harari over drie cruciale stadia in de geschiedenis van de mens: de cognitieve revolutie, de agrarische revolutie en de wetenschappelijke revolutie.

En over die laatste revolutie zegt hij dit:

“The Scientific Revolution has not been a revolution of knowledge. It has been above all a revolution of ignorance.”

Het is een revolutie van onwetendheid. En op onderzoek uit durven gaan. Niet meer de openbaring laten bepalen wat wel en niet belangrijk is, maar zelf uitmaken waar je meer van wilt weten.

Hoe dan?

Boekenkasten zijn er volgeschreven over de ontwikkeling van de wetenschap in Europa. En ook die van andere wetenschapstradities (bijvoorbeeld in China en in de Islamitische wereld). Een blog doet daar nooit helemaal recht aan. Maar je kunt de opkomst van wetenschap in de Islam deels verklaren vanuit de invalshoek van wiskunde en bovenstaand citaat. Dat doe ik in een volgend blog.

Ik sterf dus ik ben

Doodgaan hoort bij het leven. En als je dat vergeet, laat je kansen liggen. De Nederlandse Death Cafés zoeken die kansen op. Want ik sterf, dus ik ben.

Leren leven, leren sterven

Veel filosofie gaat over levenskunst. Leren leven: hoe maak je van het bestaan een mooi, waardevol, interessant geheel? Belangrijk. Veel filosofen zeggen daarbij ook: vergeet niet dat het eindig is, dat leven. Ik sterf dus ik ben.

Heidegger hield eens een lezing over de (on)zin van het leven. Na zijn relaas stond er een man op uit het publiek die zei: maar hoe dan?! (even in mijn woorden). Hoe doe je dat? Wat is de zin, wat is de schoonheid, wat is waardevol en interessant in het leven? En Heidegger zei:

‘loop eens wat vaker over een begraafplaats’.

En jij?

Maar dan wij, moderne mensen in de 21e eeuw. Wij lijken een probleem te hebben met verval, falen, eindigheid en sterven. In de binnensteden van ons land kom je weinig senioren tegen. Ze zitten in oude-mensen-flats, regelmatig op afstand van het centrum (zie mijn eerder blog hierover)

Ik ben 30 jaar en ik heb nog nooit een lijk gezien. Dat is uniek in de wereldgeschiedenis (en zelfs mondiaal kom je het niet vaak zo tegen). Onze cultuur is er goed in geworden om lijden, verval, falen en sterven op een afstand te houden. Alsof het er niet is.

Maar kunnen we dan nog wel goed nadenken over levenskunst?

The 5 regets of the dying

Er was eens een verpleegkundige van mensen in de laatste levensfase uit Groot Brittanië. Zij sprak veel met mensen die op gingen sterven en ze vroeg hen waar ze spijt van hadden in hun leven. Het viel haar op dat mensen steeds een vergelijkbaar antwoord geven: the 5 regrets of the dying. Hieronder staat een plaatje ervan.

5 regrets of dying

Op hun sterfbed komen mensen erachter dat datgene wat ze hun leven lang gedaan hebben, lang niet altijd datgene was wat ze het meest belangrijk vonden. Met andere woorden: hun bezigheden strookten niet met de ideeën die ze hadden over levenskunst. Over mooi leven.

Zonde eigenlijk. Maar dat is waarom Heidegger (en veel andere denkers) zeggen dat je het nog wel eens goed voor je kon zijn om je wat vaker bezig te houden met het feit dat je zult sterven.

Death Café

Doordenken en -praten over je eindigheid. Het kan. Bijvoorbeeld door middel van het Death Café: praten over de dood rond de koffietafel (zonder dat je een probleem hebt!)

Toen ik in Nederland startte met Death Cafés, bleek het een recept te zijn voor steeds weer een bijzondere ervaring. We stellen elkaar de vraag: ‘wat is eigenlijk jouw ervaring met de dood?’ en vervolgens praten we daar een uurtje over door. Over wat we meemaakten (hoe veel of hoe weinig ook), hoe we er op terugkijken, wat we geleerd hebben en wat we (erdoor) belangrijk zijn gaan vinden. Telkens weer hoor ik de meest bijzondere verhalen. Over sterfelijkheid, over eindigheid, over levenskunst.

Stop regretting, start dreaming, zegt de verpleegkundige. Loop eens wat vaker over een begraafplaats zegt Heidegger. Of ga langs bij Stroom Den Haag en praat gewoon eens mee over eindigheid. Meer informatie hier. Als je durft…

Meer weten: ik sterf dus ik ben.

Immanuel Kant in gif

De filosofie van een van de moeilijkste denkers in de geschiedenis: Immanuel Kant. Uitgelegd in Gifjes. Dat maakt het makkelijker.

Stel:
je zit in een treinwagon waarvan de remmen kapot zijn en je dendert een heuvel af.

Opeens zie je een splitsing komen en het enige wat jij kunt doen is kiezen of je rechts of links gaat (je remmen zijn nog steeds kapot):

Rechts op het spoor staan 5 nietsvermoedende mensen en links 2. Welke kant laat je de razende trein opgaan?

Veel mensen zeggen: liever 2 onder de trein dan 5.

Als je dat zegt, ben je een: “utilist” – je wilt het grootste goed voor zoveel mogelijk mensen.

Maar stel dat je niet op de trein zit maar op een brug bent geklommen. Je ziet de trein aan komen razen.

Er staan weer 5 nietsvermoedende mensen op het spoor en er staat een hele dikke meneer naast jou.

Als je hem op het spoor gooit, stort de brug in en worden de 5 mensen niet aangereden

Dus: 1 leven tegen 5. Wat zou je nu doen?

De meeste mensen zeggen: je mag die meneer niet omduwen.

Maar waarom niet? Is de situatie zo anders?

Immanuel Kant (1724-1804) heeft bedacht waarom niet.

Hij zegt: een mens mag je nooit als middel gebruiken voor iets anders.

Een mens is altijd een doel op zich. Kant is een deontoloog.

Denk er maar eens over na als je weer in de trein zit: ben je utilist of deontoloog?

De dag dat jij en ik zondig werden

De zonde – het houdt miljoenen mensen ’s nachts wakker. Maar ooit werd het uitgevonden, zou je kunnen zeggen. Ook in jouw leven.

Misschien kun je je eerste zonde vast nog wel herinneren. Een snoepje jatten uit de kast van moeder. Of stiekem lang wakker blijven als je eigenlijk al moet slapen. Of erger.

Of je zegt: zonde? Wat maakt iets een zonde? Gaat het hier om echte fouten of om een aangepraat geweten?

Het antwoord op die (filosofische) vraag wordt door verschillende (religieuze) tradities uitgebreid behandeld. Meestal in verhaalvorm. Zoals in dit verhaal:

Adam en Eva…

…woonden in een perfecte tuin en hadden alles wat hun hartje begeerde. Als ze zich maar aan die éne regel hielden: niet eten van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. Lang verhaal kort, ze doen het toch. De eerste zonde ooit. Vanaf nu, suggereert het verhaal, wist de mens niet alleen wat goed was, maar ook wat fout was.

En sindsdien, zegt de christelijke traditie, zondigen mensen continu. Ook kinderen. Ongehoorzaamheid aan mensen of God, daar begint de zonde. En ja, een snoepje jatten hoort daar ook bij.

Er zijn boeken over volgeschreven. Over de mens, de zonde en God. En er is druk over gefilosofeerd, van Augustinus (rond 400) tot Nietzsche (rond 1900). Het idee ontstond dat zonde zò erg is, dat je er misschien wel eeuwig voor zou moeten boeten. In de hel.

Nietzsche en de boom

Maar de filosoof Nietzsche zegt iets anders. We zijn ‘voorbij goed en kwaad’, zegt hij. Want God is dood. En als God dood is, wie vertelt dan nog wat goed en kwaad is? Is een snoepje stelen kwaad? Of hebben we alleen maar last van een (aangepraat) geweten?

Je zou haast kunnen zeggen dat Nietzsche het verhaal van Adam en Eva tot een hoogtepunt brengt. Kennis van goed en kwaad voor de mens, maar dan echt. Want er is niemand anders meer die waarborgt wat goed en kwaad is (God is immers dood?), we moeten het zelf doen.

Adam en Eva (2)

Je kunt het verhaal van Adam en Eva ook anders lezen. Bijvoorbeeld op de manier die in de Joodse traditie voorkomt. Dan gaat het verhaal zo:

Adam en Eva, de eerste mensen staan voor jouw eerste levensjaren. Wat was je gelukkig. Wat had je weinig zorgen. Wat zag de wereld er interessant en boeiend uit. Totdat je dat snoepje stal. Of er gebeurde iets anders vreselijks. Je verloor iemand, je kreeg ruzie, mensen verlieten je.

En sindsdien had je kennis van goed en kwaad. Van het feit dat de wereld er niet zo mooi uitzag als je altijd dacht. Je bent misschien nog steeds bezig om je tot die boom van kennis te verhouden.

Meer

bekijk ook m’n blog: je bent gek als je niet in de hel gelooft

bekijk hier een filmpje over Augustinus’ ideeën over goed en kwaad (6,5 minuut)

Welke godsdienst heeft gelijk? Ontdek het zelf.

Als ik in Bagdad was geboren, was ik moslim. Voor veel mensen is de vraag naar de ‘juiste godsdienst’ belangrijk. Er bestaat een truc om erachter te komen.

De juiste godsdienst

Jodendom, christendom en islam steggelen al eeuwen over wie van hen gelijk heeft. Volstrekt onnodig, volgens een oud verhaal: met een slim trucje kun je zo achterhalen wat de juiste godsdienst is.

De minister van buitenlandse zaken van het islamitische hof in Cordoba, Spanje in 960, was misschien wel de slimste man ter wereld. Het was een jood en zijn naam was Hasdai Ibn Shaprut. Hasdai was een goed diplomaticus, hij zorgde dat de christelijke koningen uit het Noorden van Europa en z’n islamitische baas elkaar niet in de haren vlogen.

En Hasdai ontdekte een nieuw volk:

De Khazaren

Nou is dat op zich al bijzonder (vergelijkbaar met de opwinding over nieuwe landen uit de koloniale tijd), maar als je minister van buitenlandse zaken bent, is het helemaal speciaal. En het gekke was, moest Hasdai bij zichzelf toegeven: hij had nog nooit van het volk gehoord.

Ze woonden in oost Turkije en hadden blijkbaar een wat afgezonderd bestaan. Hasdai wilde het zijne ervan weten.

Hij stuurde een brief naar de koning van het volk, koning Josef, om te weten met wie hij te maken had. Vertel eens, schreef hij, wie zijn jullie, wie zijn jullie voorvaderen en wat geloven jullie eigenlijk?

De familiegeschiedenis van het volk kon koning Josef zo oprakelen. Maar wat de Khazaren geloofden was een ander verhaal, vertelde koning Josef.

Een slimme truc

De geschiedenis door hadden zowel Perzen als Grieken als Islamieten geprobeerd de Khazaren tot hun eigen religie te bekeren. En op een dag was de koning (een voorvader van koning Josef) er zat van. Hij wilde nu wel eens weten wat de echte religie was.

Hij riep de slimste jood, de slimste islamiet en de slimste christen bij elkaar om te bespreken wat de juiste religie was. Het gesprek ontaarde in een eindeloze discussie. De koning kreeg al snel hoofdpijn en stuurde de geleerden naar huis. Tot hij een plan bedacht:

Hij ontbood de drie geleerden weer naar het paleis, maar nam ze nu apart. ‘Zeg eens’, zei hij tegen de christen, ‘als je nou moest kiezen tussen islam en jodendom, wat zou je dan kiezen?’ ‘Het jodendom’, zei de christelijke geleerde. Vervolgens nam de koning de islamitische geleerde apart en vroeg naar zijn keuze tussen het jodendom en christendom. Ook deze geleerde kwam uit bij het jodendom.

De koning wist genoeg. En vanaf dat moment, zo schreef koning Josef aan Hasdai, waren de Khazaren joods.

Bewijs: de maan is van kaas

Geloven dat de maan niet van kaas is, is niet zo moeilijk. Bewijzen dat-ie niet van kaas is, is veel moeilijker. Een blog over kaas en bewijs.

Kaas

Als je beweert dat de maan van kaas is, zullen de meeste mensen dat niet met je eens zijn. Maar als je die mensen zou vragen te bewijzen dat de maan niet van kaas is, dan kunnen ze het nog wel eens moeilijk krijgen. Probeer het zelf maar eens (ook als je wel gelooft dat de maan van kaas is).

Waar je al gauw op uitkomt is: wetenschappers hebben met meetapparatuur onderzocht waar de maan van gemaakt is, en er is nooit gebleken dat deze van kaas is (en al helemaal niet voor 100%). En: er zijn mensen op de maan geweest die niet gezien hebben dat-ie van kaas is, dus het is op z’n minst onwaarschijnlijk.

Verder zou je nog kunnen bedenken dat kaas langzamerhand vergaat (maar ook in de ruimte?) of dat kaas misschien een vreemde geur zou verspreiden (ook in de ruimte?). Maar dan houdt het wel op.

Bewijs-lastig

Waar het om gaat is dit: we nemen veel dingen voor waar aan, zonder dat we zelf, individueel kunnen bewijzen dat het zo is. Technisch kan ik niet bewijzen dat de maan niet van kaas is. Ik kan het aannemelijk maken op basis van waarneming (hij vergaat niet) of op basis van autoriteit (de wetenschappers). Maar bewijzen wordt lastig.

Er zijn meer redenen waarom zoveel van onze overtuigingen lastig te bewijzen zijn:

  • Het is onzeker of je je zintuigen altijd kunt vertrouwen. Mensen die LSD gebruiken zeggen echt andere dingen te zien dan jij en ik. En we weten allemaal dat meerdere getuigen van een gebeurtenis hele verschillende dingen zien. Lees bijvoorbeeld het onderstaande:

echt

  • Het is eigenlijk al moeilijk aan te tonen of je droomt of niet. Heb jij een doorslaggevend bewijs dat je niet droomt, of een brein op sterk water bent, die denkt allerlei ervaringen en indrukken te hebben, maar het niet echt heeft? Zie ook hier:

droom

  • De wereld is absurd. Als je een aantal basale dingen niet zou kunnen geloven, kun je bijna niet meer leven. Dingen die je als vanzelfsprekend beschouwd zijn daarom niet alleen feiten, maar ook factoren zijn die je bestaan zin geven. Als de maan van kaas blijkt te zijn (en je hebt het nooit geweten), dan is de aarde misschien van chocola en word je al jaren bedrogen door je vriend(in). Sommige dingen zijn te bizar om te kunnen geloven (in de middeleeuwen was dit het geloof in een ronde aarde, lees het verhaal hier).

Hoe kunnen we elkaar iets beter begrijpen?

Vandaag de dag lijkt het moeilijker dan ooit om elkaar te begrijpen. Maar onbegrip is van alle tijden. In de middeleeuwen hadden ze er ook last van.

Begrijp jij het?

Onbegrip. Het is van alle tijden. Maar het lijkt of we er vandaag de dag in het publieke debat meer last van hebben. Onbegrip over mensen die politiek heel anders denken of hele andere religieuze uitgangspunten hebben. In het onderstaande, tamelijk grove filmpje van Hans Teeuwen en de meiden van halal wordt duidelijk wat ik bedoel:

Hans Teeuwen en de meiden van halal lijken elkaar op geen enkele manier te begrijpen. Beiden gebruiken ze argumenten maar je krijgt niet het idee dat het helpt. Hoe ga je met zoiets om?

Eén ding weet je zeker: hopen dat de ander bij jouw standpunt uitkomt gaat niet werken. Ook niet op basis van goede argumenten. Want dat hoopt de ander andersom namelijk ook. Wat werkt wel?

Onbegrip in de geschiedenis

Er gaat een verhaaltje rond over de filosofie uit de middeleeuwen: de knapste koppen hielden zich bezig met de meest zinloze vragen. Deze bijvoorbeeld:

hoeveel engelen kunnen er dansen op de punt van een naald?

Zinloze vraag. Maar als je iets van de middeleeuwen weet, dan weet je dat het debat daar ook eigenlijk niet over ging. Het ging over onbegrip. En over hoe je eruit komt.

Onbegrip heeft te maken met je uitgangspunten. Hans Teeuwen hamert continu op vrijheid van het woord, de meiden van Halal lijken het alleen belangrijk te vinden of er sprake is van belediging of niet. Hoe kom je hier verder mee?

En daar ging het in die middeleeuws debatten ook over. Christelijke denkers kwamen in aanraking met mensen die hele andere uitgangspunten hadden. Er waren ketters in Frankrijk en Islamieten in Spanje die hele andere uitgangspunten hadden in het leven. Zij baseerden hun argumenten bijvoorbeeld niet op de bijbel – iets wat alle monniken wel deden.

En als je jarenlang geroepen hebt: ‘dat staat in de bijbel, dus zo is het’, dan sta je opeens met je mond vol tanden.

Een nieuwe uitvinding

En dus (her)ontdekten de middeleeuwse denkers een nieuwe tool: logisch redeneren. Met dank aan Aristoteles (binnengebracht via de Arabieren). Over heilige teksten verschilde iedereen van mening. Maar over logica waren mensen het wel met elkaar eens.

Als je uitgangspunten anders zijn, zo leerde men in de middeleeuwen, moet je het over een andere boeg gooien. Je moet eerst uitzoeken wat je deelt met elkaar en dan verder praten.

En vandaag?

Er wordt tegenwoordig wel eens gezegd dat de logica steeds minder een rol speelt in het (politieke) debat. Presidentskandidaten komen ermee weg domweg onwaarheden te verkondigen. Religieuze fanatici lijken voor geen rede vatbaar. Dat is frustrerend en bevreemdend.

In de middeleeuwen ontdekte men de kracht van logica, maar daaronder zat iets wat nog belangrijker was. Onbegrip haal je weg door te starten vanaf een gezamenlijke grond. Of dat nou logica is of wat anders. Bijvoorbeeld over dat je allebei veilig over straat wilt. Of dat je allebei probeert het beste te maken van je eigen leven.

Zo’n principe vinden is niet makkelijk – in de middeleeuwen kostte het tientallen jaren om uit deze kwestie te komen. Maar het kon nog wel eens broodnodig zijn om verder te komen in een vastgelopen debat.