Studiedag: Geloof, wetenschap en hoofdpijn (Amsterdam)

Geloof jij in de wetenschap? Of in God? Of allebei? Voor veel moderne mensen is dit een gevoelig onderwerp. Onze wetenschap is hoog ontwikkeld, maar nog altijd zijn er talloze kwakzalvers en (religieuze) praatjesmakers op de markt. Mensen met letterlijke heilige teksten, mensen met onbewezen overtuigingen. Er zijn genoeg mensen die zich er flink over opwinden.

Geloof jij in de wetenschap? Of in God? Of allebei? Voor veel moderne mensen is dit een gevoelig onderwerp. Onze wetenschap is hoog ontwikkeld, maar nog altijd zijn er talloze kwakzalvers en (religieuze) praatjesmakers op de markt. Mensen met letterlijke heilige teksten, mensen met onbewezen overtuigingen. Er zijn genoeg mensen die zich er flink over opwinden.

Filosoof en theoloog Gerko Tempelman stelt dat onze gevoeligheid op dit terrein komt door onze geschiedenis met dit onderwerp. Want het is nog niet zo lang zo dat mensen wetenschap en geloof zo strikt uit elkaar houden als vandaag de dag. Sterker nog: in het gros van de geschiedenis was ‘geloven’ een veel betere kennisbron dan ‘(denken te) weten’. En voor heel veel mensen geldt dit nog steeds zo.

Om te begrijpen waar onze gevoeligheid vandaan komt, moeten we terug naar de middeleeuwen. Dat doen we met Umberto Eco’s De Naam van de Roos en de filosofie van Thomas van Aquino. Het is het verhaal van de botsing tussen Aristoteles en Augustinus, en tussen geloven en bewijzen. Het is filosofie op het scherpst van de snede en het is relevanter voor vandaag dan je denkt.

Deze studiedag zit tjokvol met filosofie, geschiedenis, (een beetje) discussie, film en verhaal. We staan stil bij kentheoretische vragen als: Wat kan ik zeker weten? Wat is waarheid? Aan de hand van filmfragmenten van Umberto Eco’s De Naam van de Roos zien we hoe verschillende denkers in de geschiedenis die vraag anders benaderen. We gaan aan de slag met de actuele vragen: Kun je God bewijzen? Is de wetenschap betrouwbaar? Hoe kun je iemand overtuigen van zijn of haar ongelijk?

Aan het eind van de dag ga je naar huis met de middeleeuwen in je broekzak. Je weet hoe mensen in de middeleeuwen dachten (volgens de methode Job Cohen: theedrinken en de boel bij elkaar houden). Je hebt nieuwe perspectieven opgedaan voor actuele vragen, je bent jezelf (en je eigen tijd) iets beter gaan begrijpen en heel misschien snap je dan een aantal onbegrijpelijke anderen ook iets beter.

Studiedag: Geloof, wetenschap en hoofdpijn (Amsterdam)

Geloof jij in de wetenschap? Of in God? Of allebei? Voor veel moderne mensen is dit een gevoelig onderwerp. Onze wetenschap is hoog ontwikkeld, maar nog altijd zijn er talloze kwakzalvers en (religieuze) praatjesmakers op de markt. Mensen met letterlijke heilige teksten, mensen met onbewezen overtuigingen. Er zijn genoeg mensen die zich er flink over opwinden.

Geloof jij in de wetenschap? Of in God? Of allebei? Voor veel moderne mensen is dit een gevoelig onderwerp. Onze wetenschap is hoog ontwikkeld, maar nog altijd zijn er talloze kwakzalvers en (religieuze) praatjesmakers op de markt. Mensen met letterlijke heilige teksten, mensen met onbewezen overtuigingen. Er zijn genoeg mensen die zich er flink over opwinden.

Filosoof en theoloog Gerko Tempelman stelt dat onze gevoeligheid op dit terrein komt door onze geschiedenis met dit onderwerp. Want het is nog niet zo lang zo dat mensen wetenschap en geloof zo strikt uit elkaar houden als vandaag de dag. Sterker nog: in het gros van de geschiedenis was ‘geloven’ een veel betere kennisbron dan ‘(denken te) weten’. En voor heel veel mensen geldt dit nog steeds zo.

Om te begrijpen waar onze gevoeligheid vandaan komt, moeten we terug naar de middeleeuwen. Dat doen we met Umberto Eco’s De Naam van de Roos en de filosofie van Thomas van Aquino. Het is het verhaal van de botsing tussen Aristoteles en Augustinus, en tussen geloven en bewijzen. Het is filosofie op het scherpst van de snede en het is relevanter voor vandaag dan je denkt.

Deze studiedag zit tjokvol met filosofie, geschiedenis, (een beetje) discussie, film en verhaal. We staan stil bij kentheoretische vragen als: Wat kan ik zeker weten? Wat is waarheid? Aan de hand van filmfragmenten van Umberto Eco’s De Naam van de Roos zien we hoe verschillende denkers in de geschiedenis die vraag anders benaderen. We gaan aan de slag met de actuele vragen: Kun je God bewijzen? Is de wetenschap betrouwbaar? Hoe kun je iemand overtuigen van zijn of haar ongelijk?

Aan het eind van de dag ga je naar huis met de middeleeuwen in je broekzak. Je weet hoe mensen in de middeleeuwen dachten (volgens de methode Job Cohen: theedrinken en de boel bij elkaar houden). Je hebt nieuwe perspectieven opgedaan voor actuele vragen, je bent jezelf (en je eigen tijd) iets beter gaan begrijpen en heel misschien snap je dan een aantal onbegrijpelijke anderen ook iets beter.

Let op: deze zelfde studiedag wordt ook gegeven op zaterdag 28 juli. Klik hier voor meer info.

Waarom blijft geloof zo hardnekkig bestaan?

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en het geloof in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Een stoppen-met-geloven-syndroom

‘Ik heb nog nooit zo weinig in God geloofd, maar ik ben er ook nog nooit zó mee bezig geweest’, zei iemand laatst tegen me. Sommige mensen noemen dat het Maarten ‘t Hart-syndroom. Je rekent af met het geloof, maar je blijft er je leven druk mee.

De filosoof Gianni Vattimo is ook zo iemand. Z’n filosofie noemt hij: christelijke filosofie voor het postmodernisme. Maar toen een interviewer hem eens vroeg waarom hij zichzelf ‘christen’ noemde, zei hij: ik kan er niet aan ontkomen. Wat ik ook doe, het blijft bij me. Zelfs als ik me geen christen noem, dan blijf ik ermee geassocieerd (want ik ben het niet). Ik kom er nooit meer vanaf.

En zo kan iets in z’n afwezigheid heel sterk aanwezig zijn. Hier nog twee voorbeelden:

1. Bang voor niks

Ooit fietste ik door de regen langs een rij geparkeerde auto’s. En niet veel later lag ik met ontzettende hoofdpijn op de grond. Wat was er gebeurd? Van omstanders hoorde ik dat er een portier was opengeduwd, net toen ik er langs kwam. Ik belandde op m’n hoofd en had een lichte hersenschudding.
Sindsdien ben ik bang voor iets dat er in principe niet is. Want ik kijk altijd goed uit, maar ik had dit niet kunnen zien. En dat is een beangstigende gedachte. Je kunt opletten wat je wilt, maar in het verkeer kun je geraakt worden door iets dat je niet kunt zien. Hoe moet je je daarop voorbereiden?

2. De aanwezigheid van niks

Stel je gaat op date. Om 20:00 heb je afgesproken en je bent op tijd in de kroeg. Het is druk en lawaaiig. Je vindt het loeispannend, maar hebt er ook wel zin in. Maar als het 20:00 is geweest, is je afspraak er nog niet. Gek. Je wacht nog eens tien minuten. Nog niets. En je zit daar, tegenover een lege stoel, in een druk en vol café.

Daar in die kroeg, is er van alles aanwezig. Lawaai, muziek, mensen, drank. Maar datgene wat voor jou het meest aanwezig is, is de afwezigheid van iets: je date. Anders gezegd: de afwezigheid van die persoon voel je in je hele lijf. De lege stoel voor je, vult je hele denkraam.

De aanwezigheid van een dode God

Zo werkt het met veel postmoderne christenen. Ze geloven minder dan ooit, maar ze zijn er meer dan ooit mee bezig. Hoe minder God ze overhouden, hoe meer de vraag naar God hen blijft bezighouden.

Misschien word je wel eens moe van jezelf. Ik zal je vertellen waarom.

God in je broekzak

Postmoderne mensen staan in de wetenschappelijke traditie. En in die wetenschappelijke traditie wordt het verlangen van de mens zoveel mogelijk te beheersen bevredigd. ‘Ons brein’, zo hoorde ik een neurowetenschapper zeggen, ‘is ingericht om zoveel mogelijk zekerheid over de toekomst te krijgen’. Wij mensen, zoeken patronen en proberen daarmee te weten wat ons morgen (ongeveer) te wachten staat. Wetenschap is daar een geweldig hulpmiddel voor.

Sterker nog: je zou kunnen stellen dat de geschiedenis van de afgelopen 500 jaar bewijst dat wetenschap hier veel beter bij helpt dan geloven in God. Wetenschap heeft ons gigantisch veel gebracht. En zo werd onze wereld steeds meer gerationaliseerd. Van economie tot liefde tot samenleven – we proberen overal grip op te krijgen. En natuurlijk proberen we dat ook met God. Net als tijdens die uitgebleven date, probeer je te vatten wat er is gebeurd. Je probeert rationeel grip te krijgen op de situatie. Je probeert God te pakken in een cognitief denkkader.

Maar dat kan niet.

Gelukkig maar – zegt iemand als Vattimo (en andere postmoderne filosofen).

Stel je voor

Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan zou alle magie en mysterie verdwenen zijn.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan is er geen reden om te geloven dat onze twee gruwelijke wereldoorlogen geen vervolg zullen krijgen.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, waar kun je dan nog op hopen als het leven je tegenzit?

Filosofie na de dood van God

Gods dood (Nietzsche), maakte ruimte voor een come-back. Via niet-christelijke filosofen als Derrida. Want die filosofen gingen op zoek naar hoe het verder moest, na de dood van God en het morele faillissement van de mens. En die filosofen ontdekten dat we het uiteindelijk niet moeten hebben van ‘het mogelijke’ – van het voorspelbare, van het rationele, het wetenschappelijke.

Deze filosofie ontdekte dat we het moeten hebben van de hoop op het onmogelijke.

Dat is wat een poëet doet, als hij tevergeefs probeert woorden te geven aan wat er in haar leeft. En een kunstenaar, die z’n ziel nooit helemaal op het doek krijgt. Dat is wat je voelt als je muziek hoort die je even helemaal vervult en daarna achterlaat met een verlangen naar meer.

Realisten en dromers

Je hebt realisten en je hebt dromers. Realisten houden de touwtjes in handen. Ze maken plannen voor de toekomst: een geanticipeerde toekomst, waarvan ze ongeveer weten hoe die eruit ziet. Ze komen er heel ver mee.

En je hebt dromers. Zij houden ook rekening met die geanticipeerde toekomst (het zou dom zijn om dat niet te doen), maar dromers houden een gaatje over. Ruimte voor het onverwachtse, ruimte voor het onmogelijke. Ruimte voor dromen en voor hoop. Ruimte voor een ‘absolute toekomst’ – eentje die je niet ziet aankomen. Als een dief in de nacht, als een ongeluk in een onverwachtse hoek en als een onmogelijke droom.

God is onmogelijk

De geanticipeerde toekomst gaat over worden wie je al bent, maar dan ouder (en rijker misschien). De absolute toekomst, die van de dromers, gaat over verandering. Nieuwe schepping, nieuw leven, worden als een kind (zie dit blog). De theologen in deze traditie zeggen: die absolute toekomst, dat is waar Jezus het over heeft.

Het verklaart waarom mensen die hun schaapjes op het droge hebben, slechte dromers zijn. Ze gaan lekker en de toekomst ziet er goed uit. Echte dromers vind je bij mensen die aan de grond zitten. Voor wie het leven tegenvalt, de mensen die God niet geholpen heeft. Zij voelen ‘m het sterkst: de roep van het ‘event verborgen in het woord ‘God’’.

‘I have a dream’ zei Martin Luther King. Die droom is nog steeds niet uitgekomen. Maar het heeft miljoenen mensen in beweging gezet. De afwezigheid van waar hij van droomde, was meer voelbaar dan al het andere.

En zo is het met God. Hij stierf in de 19e eeuw. Gelukkig maar. Hij was onmogelijk geworden. Maar zijn dood wekt een verlangen op dat mensen in beweging zet. Op zoek naar de mogelijkheid van een onmogelijke God.

Waarom blijft geloof zo hardnekkig bestaan?

Filosofie en het geloof in God

In een nieuwe blogserie over filosofie en het geloof in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd na de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, de theologen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’.

Een stoppen-met-geloven-syndroom

‘Ik heb nog nooit zo weinig in God geloofd, maar ik ben er ook nog nooit zó mee bezig geweest’, zei iemand laatst tegen me. Sommige mensen noemen dat het Maarten ‘t Hart-syndroom. Je rekent af met het geloof, maar je blijft er je leven druk mee.

De filosoof Gianni Vattimo is ook zo iemand. Z’n filosofie noemt hij: christelijke filosofie voor het postmodernisme. Maar toen een interviewer hem eens vroeg waarom hij zichzelf ‘christen’ noemde, zei hij: ik kan er niet aan ontkomen. Wat ik ook doe, het blijft bij me. Zelfs als ik me geen christen noem, dan blijf ik ermee geassocieerd (want ik ben het niet). Ik kom er nooit meer vanaf.

En zo kan iets in z’n afwezigheid heel sterk aanwezig zijn. Hier nog twee voorbeelden:

1. Bang voor niks

Ooit fietste ik door de regen langs een rij geparkeerde auto’s. En niet veel later lag ik met ontzettende hoofdpijn op de grond. Wat was er gebeurd? Van omstanders hoorde ik dat er een portier was opengeduwd, net toen ik er langs kwam. Ik belandde op m’n hoofd en had een lichte hersenschudding.
Sindsdien ben ik bang voor iets dat er in principe niet is. Want ik kijk altijd goed uit, maar ik had dit niet kunnen zien. En dat is een beangstigende gedachte. Je kunt opletten wat je wilt, maar in het verkeer kun je geraakt worden door iets dat je niet kunt zien. Hoe moet je je daarop voorbereiden?

2. De aanwezigheid van niks

Stel je gaat op date. Om 20:00 heb je afgesproken en je bent op tijd in de kroeg. Het is druk en lawaaiig. Je vindt het loeispannend, maar hebt er ook wel zin in. Maar als het 20:00 is geweest, is je afspraak er nog niet. Gek. Je wacht nog eens tien minuten. Nog niets. En je zit daar, tegenover een lege stoel, in een druk en vol café.

Daar in die kroeg, is er van alles aanwezig. Lawaai, muziek, mensen, drank. Maar datgene wat voor jou het meest aanwezig is, is de afwezigheid van iets: je date. Anders gezegd: de afwezigheid van die persoon voel je in je hele lijf. De lege stoel voor je, vult je hele denkraam.

De aanwezigheid van een dode God

Zo werkt het met veel postmoderne christenen. Ze geloven minder dan ooit, maar ze zijn er meer dan ooit mee bezig. Hoe minder God ze overhouden, hoe meer de vraag naar God hen blijft bezighouden.

Misschien word je wel eens moe van jezelf. Ik zal je vertellen waarom.

God in je broekzak

Postmoderne mensen staan in de wetenschappelijke traditie. En in die wetenschappelijke traditie wordt het verlangen van de mens zoveel mogelijk te beheersen bevredigd. ‘Ons brein’, zo hoorde ik een neurowetenschapper zeggen, ‘is ingericht om zoveel mogelijk zekerheid over de toekomst te krijgen’. Wij mensen, zoeken patronen en proberen daarmee te weten wat ons morgen (ongeveer) te wachten staat. Wetenschap is daar een geweldig hulpmiddel voor.

Sterker nog: je zou kunnen stellen dat de geschiedenis van de afgelopen 500 jaar bewijst dat wetenschap hier veel beter bij helpt dan geloven in God. Wetenschap heeft ons gigantisch veel gebracht. En zo werd onze wereld steeds meer gerationaliseerd. Van economie tot liefde tot samenleven – we proberen overal grip op te krijgen. En natuurlijk proberen we dat ook met God. Net als tijdens die uitgebleven date, probeer je te vatten wat er is gebeurd. Je probeert rationeel grip te krijgen op de situatie. Je probeert God te pakken in een cognitief denkkader.

Maar dat kan niet.

Gelukkig maar – zegt iemand als Vattimo (en andere postmoderne filosofen).

Stel je voor

Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan zou alle magie en mysterie verdwenen zijn.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, dan is er geen reden om te geloven dat onze twee gruwelijke wereldoorlogen geen vervolg zullen krijgen.
Als onze wereld volledig rationeel en voorspelbaar zou zijn, waar kun je dan nog op hopen als het leven je tegenzit?

Filosofie na de dood van God

Gods dood (Nietzsche), maakte ruimte voor een come-back. Via niet-christelijke filosofen als Derrida. Want die filosofen gingen op zoek naar hoe het verder moest, na de dood van God en het morele faillissement van de mens. En die filosofen ontdekten dat we het uiteindelijk niet moeten hebben van ‘het mogelijke’ – van het voorspelbare, van het rationele, het wetenschappelijke.

Deze filosofie ontdekte dat we het moeten hebben van de hoop op het onmogelijke.

Dat is wat een poëet doet, als hij tevergeefs probeert woorden te geven aan wat er in haar leeft. En een kunstenaar, die z’n ziel nooit helemaal op het doek krijgt. Dat is wat je voelt als je muziek hoort die je even helemaal vervult en daarna achterlaat met een verlangen naar meer.

Realisten en dromers

Je hebt realisten en je hebt dromers. Realisten houden de touwtjes in handen. Ze maken plannen voor de toekomst: een geanticipeerde toekomst, waarvan ze ongeveer weten hoe die eruit ziet. Ze komen er heel ver mee.

En je hebt dromers. Zij houden ook rekening met die geanticipeerde toekomst (het zou dom zijn om dat niet te doen), maar dromers houden een gaatje over. Ruimte voor het onverwachtse, ruimte voor het onmogelijke. Ruimte voor dromen en voor hoop. Ruimte voor een ‘absolute toekomst’ – eentje die je niet ziet aankomen. Als een dief in de nacht, als een ongeluk in een onverwachtse hoek en als een onmogelijke droom.

God is onmogelijk

De geanticipeerde toekomst gaat over worden wie je al bent, maar dan ouder (en rijker misschien). De absolute toekomst, die van de dromers, gaat over verandering. Nieuwe schepping, nieuw leven, worden als een kind (zie dit blog). De theologen in deze traditie zeggen: die absolute toekomst, dat is waar Jezus het over heeft.

Het verklaart waarom mensen die hun schaapjes op het droge hebben, slechte dromers zijn. Ze gaan lekker en de toekomst ziet er goed uit. Echte dromers vind je bij mensen die aan de grond zitten. Voor wie het leven tegenvalt, de mensen die God niet geholpen heeft. Zij voelen ‘m het sterkst: de roep van het ‘event verborgen in het woord ‘God’’ (zie vorige blog)

‘I have a dream’ zei Martin Luther King. Die droom is nog steeds niet uitgekomen. Maar het heeft miljoenen mensen in beweging gezet. De afwezigheid van waar hij van droomde, was meer voelbaar dan al het andere.

En zo is het met God. Hij stierf in de 19e eeuw. Gelukkig maar. Hij was onmogelijk geworden. Maar zijn dood wekt een verlangen op dat mensen in beweging zet. Op zoek naar de mogelijkheid van een onmogelijke God.

God is dood en hij zit ook niet op Facebook helaas

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Honden lijken vaak op hun baasjes. Jouw hond zegt iets over jou. Net als je God. Die zegt ook iets over jou. Maar als-ie er is, die God, dan gaat hij niet aan jouw leiband lopen. Dat hebben we in de afgelopen 100 jaar geleerd in Europa.

Lijken op je hond

God is dood, hebben we in het vorige blog gezien. En Nietzsche zegt: nu moeten we worden als een kind. Veel mensen doen iets anders. Ze worden zoals hun hond.

Misschien ken je ze wel: mensen die op hun hond gaan lijken. Het is misschien ook wel logisch. In veel gevallen zegt je hond iets over jou. Je kiest een hond uit op basis van wat jij belangrijk vindt. Motor-freaks hebben eerder een boxer dan een chihuahua. Familiemensen hebben labradors en sportievelingen hazewindhonden.

Hetzelfde geldt voor jouw Facebookprofiel.

In je Facebookbubbel

Facebook is de etalage van het leven, en let op: dat is niet alleen als je regelmatig berichten post. Ook de mensen, bedrijven en instellingen die jij toelaat in jouw tijdlijn, vormen samen jouw uithangbord. In de meeste gevallen staan er dingen in waar jij graag mee geassocieerd wilt worden.
Maar gelukkig heeft iedereen een trol in z’n tijdlijn. Een bijzondere buurman, een vergeten tante of iemand anders die nét iets te vaak berichten plaatst die je nét te vaak leest. Het zijn de mensen waarvan je regelmatig denkt: ik ga ze binnenkort ontvrienden – of uitzetten, dat kan ook tegenwoordig.

Er wordt veel negatiefs gezegd over die Facebook-etalages. Het is een filterbubbel waarbinnen iedereen een eigen wereld kan scheppen. Maar mensen doen dit al jaren. Vroeger heette het verzuiling en nog weer eerder was het misschien je godsdienst of lokale cultuur. We vertellen onszelf van oudsher verhalen over hoe de werkelijkheid in elkaar zit. En we geloven er nog in ook.

Imaginair, symbolisch, werkelijk

Jacques Lacan, een psychiater uit de 20e eeuw heeft hier veel over nagedacht. Hij stelt: de mens valt te begrijpen vanuit drie niveaus: het imaginaire, het symbolische en het werkelijke.

  1. Je zou de Facebook-etalage kunnen zien als het imaginaire. Het kunnen ook religieuze verhalen zijn of nationale feestdagen (Sinterklaas bijvoorbeeld). Ze zijn zo vanzelfsprekend dat je af en toe vergeet dat het constructen zijn. ‘Pas na de uitslag van de verkiezingen ontdekte ik dat alleen mensen in mijn netwerk op GroenLinks stemmen’ – hoorde ik iemand zeggen.
  2. Vanzelfsprekend, maar niet onschuldig, zegt Lacan. Want je Facebookprofiel gaat wel ergens over. Het representeert hoe jij op een diep niveau (het symbolische) naar de wereld kijkt. En meestal vind je het niet relaxt als iemand daar serieuze vragen bij stelt. Dat verklaart waarom mensen zo kwaad kunnen worden over een ‘onschuldig’ Sinterklaasfeest of ‘onschuldige’ politieke meningen.
  3. En dan is er nog ‘het werkelijke’, zegt Lacan. Dat is je oude buurman of je tante in je tijdlijn. Die is niet zozeer ‘meer waar’ dan jouw werkelijkheid, maar zo’n trol confronteert je wel dat jouw Facebook-etalage niet alles is. Dat de wereld groter is dan dat. En hoewel je heus wel weet dat dat zo is, heb je toch zin om je buurman uit te zetten.

Lijken op God

Sommige mensen lijken liever op hun God dan op hun hond. Maar ze lopen hetzelfde risico, namelijk dat ze hun God uitkiezen op basis van hoe ze zelf willen zijn. ‘God met ons’ kun je dan horen. Maar ze bedoelen: wij weten hoe het zit en hebben God daarop aangepast.

Het is niet zo moeilijk om God voor je karretje te spannen. Net als bij honden is het moeilijk om na te gaan wat God er echt van vindt. Je kunt ‘m niet zomaar opbellen. En dus kom je een heel eind met jouw versie van God. Je kunt God zelfs dood verklaren, zonder dat hij tegenstribbelt.

Theologie na de dood van God

Juist die zwijgende God is de laatste tijd door theologen omarmt. Want God zwijgt niet alleen als er bommen worden gegooid in zijn naam, maar hij zwijgt ook als de slachtoffers lijden. Dat is althans wat een aantal invloedrijke theologen heeft beschreven vanuit een concentratiekamp in nazi-Duitsland.

Bonhoeffer zegt het ongeveer zo: in het concentratiekamp moest ik afrekenen met God. Het was een specifieke variant van God: de God of the gaps. Het is de God die een antwoord geeft op dingen die wij niet snappen. Vroeger was God bijvoorbeeld het antwoord op de vraag waarom het ging onweren. En God is degene op wie je hoopt als alles misgaat (zie ook dit vorige blog). Bijvoorbeeld als je in een concentratiekamp zit. Maar, zegt Bonhoeffer, God doet niets hier. Hij zwijgt.

De joodse theoloog Elie Wiesel maakt iets vergelijkbaars mee. Hij beschrijft hoe er in Auschwitz acht gevangen aan de galg werden opgehangen. De rest van het kamp moest langslopen om te zien hoe ze stierven. Een van hen was een kind van 8. Het kind was zo licht dat het minuten duurde voordat het stierf.

Elie Wiesel beschrijft in z’n boek Night hoe hij langsliep en iemand hoorde fluisteren: ‘waar is God?’ Want er gebeurde niets. Er was geen verklaring. God zweeg.

Een afsterfende God

Het idee dat God dood is, is voor veel mensen heel herkenbaar. Het is soms ook heel gezond. Zo’n God die sterft is de imaginaire God. Het is Lacan’s 1e niveau. Het is de God die je hebt gemodelleerd naar hoe je wilt dat de wereld eruit ziet. God is met ons.

Het gevaar van een imaginaire God, is dat je God doet lijken op jezelf. Net als met die honden. En om deze reden is het verboden in de joodse, islamitische en christelijke cultuur om God af te beelden. God wordt aangeduid met namen die je niet mag uitspreken. Je mag geen beelden maken. Dat mag niet, want God is meer dan het imaginaire – zegt deze traditie.

God is geen sprookje, God is geen verhaaltje voor het slapen gaan. God is meer dan dat. God is ‘het werkelijke’, zegt deze traditie. God is altijd degene die jou laat zien dat je beeld van God onvolledig is. God is je buurman, je tante. God is de trol in je Facebook-etalage. God is Lacan’s 3e niveau.

Toen Elie Wiesel in het concentratiekamp de vraag hoorde ‘waar is God?’, toen hoorde hij daarna nog een stem, een stem van binnenuit. ‘Daar’, zei de stem. ‘Daar, dat kind aan de galg, dat is God’. God is niet wat je dacht dat hij was. Hij sterft aan zichzelf.

Veel hiervan is terug te vinden bij Peter Rollins, bijvoorbeeld in het interview door Rob Bell, check hier

Beeld: Mensen lijken op hun honden (volgens de advertentie van Cesar), zie hier.