Ik word pessimist als ik later groot ben

Dromen van later
Mijn zoontje is 9 maanden oud. Op ouders van nu lees ik dat-ie dan begint met dromen. Geen idee hoe ze dat weten, maar misschien klopt het.

In ieder geval vroeg ik mij af: wat zou hij dromen?
En daarna dacht ik: ik hoop dat hij een goede dromer wordt.

Om een goede dromer te worden, weet ik uit ervaring, moet je pessimistisch zijn. Ik ben het zelf niet – pessimistisch. En dus ben ik geen goede dromer. Maar ik hoop dat m’n zoontje het dus wel wordt. Laat me uitleggen wat ik bedoel.

Dromen en dromen
Als we het hebben over ‘dromen’, dan gaat dat natuurlijk over iets wat je ‘s nachts overkomt. Maar praten over ‘dromen’ kan ook gaan over je ambities. Over later als je groot bent. ‘Ik droom ervan ooit een gevierd schrijver te zijn’, bijvoorbeeld. Of ‘ik droom ervan dat ik een groot gezin zal hebben’. Dat droom je niet letterlijk, het is meer iets waar je naartoe kunt werken of waar je op hoopt. Toekomstdromen.

Binnen die toekomstdromen, heb je dromen die volstrekt onmogelijk zijn en dromen die haalbaar zijn. Je kunt dromen van een fantastische bruiloft op een idyllisch strand. Leuke droom. En haalbaar. Je kunt dromen dat je met een prins trouwt. Dat is minder waarschijnlijk en nog steeds mogelijk.

Maar je kunt ook dromen dat je een kameel bent. Of dat idyllische eiland. Dat zijn onrealistische dromen en ze zijn ook onhaalbaar. Misschien wil mijn zoontje president van Amerika worden als hij later groot is. Dat is een mooie toekomstdroom. Maar omdat hij geen Amerikaans staatsburger is, helaas onhaalbaar.

Nog een onhaalbare droom: wereldvrede.

Wat wij goed kunnen dromen
Laatst was ik bij een praatje van Eric Mijnster (hier). Hij vertelde: als je het echt wil, dan kan alles. Alles! Dat had hij zelf zo meegemaakt. Ik dacht tijdens zijn praatje: hij bedoelt waarschijnlijk niet dat je zou kunnen vliegen als een vogel. Dat is namelijk onmogelijk. Hij bedoelt: als je het echt wil, en het is mogelijk, dan kan alles.

Dat is typisch voor mensen in onze tijd. We zijn mogelijkheidsdromers. We hebben het niet over onmogelijke dromen. Als Eric het over ‘dromen’ heeft, dan gaat hij ervan uit dat wij weten dat hij dan ‘mogelijke dromen’ bedoelt.

Onze wereld is ingericht op die haalbare dromen. De wetenschap vertelt ons meer en meer over hoe alles werkt, en steeds meer wetenschappers denken dan ook dat als je alles zou weten, dat je dan ook zou weten wat de toekomst is (determinisme).

Economen (en de meeste gewone mensen ook trouwens) speculeren op wat zij denken dat de toekomst is. Waarschijnlijk stijgt de rente de komende tijd. En zal de huizenmarktgekte afnemen. De voorspelbare, denkbare toekomst.

Maar is het leven wel zo voorspelbaar?

Make America Great Again!
In de afgelopen jaren waren ontstond er iets anders: het populisme. Er is een populistische president verkozen in Amerika en in Nederland is er veel discussie over populistische stromingen.

Trump riep: Make America great again! En in Nederland hoor je mensen dingen zeggen als Nederland weer van ons!, renaissance! en VOC mentaliteit!. Tegenstanders vinden het misplaatst sentiment.

Waar komt de kracht vandaan van het populistische denken? Misschien wel hieruit: het is een hoopvoller verhaal dan het verhaal van de status quo. (zie dit stuk in de Groene Amsterdammer).

Hillary (status quo) leek niet veel verder te komen dan America is great already! Misschien had ze daar gelijk in, maar het is niet een hoopvollere boodschap. Ook in Nederland wordt door heersende politici vaak benadrukt dat Nederland er eigenlijk helemaal niet zo slecht aan toe is. Best mogelijk, maar er spreekt minder ambitie uit.

Trump heeft meer hoop dan jij (en ik)
Het verhaal van veel populisten is misschien niet haalbaar, maar wel hoopvol. Of beter gezegd: het kon nog wel eens méér hoopvol zijn omdat het mínder haalbaar is.

Populisten, hopeloze mensen, pessimisten: het zijn betere dromers. Ze dromen dingen die veel grootser en onmogelijker zijn dan wat optimisten dromen.

Als veel van die pessimisten naar de toekomst kijken, dan valt het ze tegen. Minderbedeelden hebben hetzelfde. En precies dat stelt ze in staat om te doen waar optimisten minder goed in zijn. Pessimisten staren zich niet blind op het mogelijke, zij hopen (misschien tegen beter weten in!) op het onmogelijke.

Dom
Vaak klinkt dat dom. Het is dom om te dromen dat je ooit kan vliegen als een vogel. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat het gewoonweg niet kan.

Maar er waren ook goede redenen om aan te nemen dat Donald Trump nooit president zou worden. En toch gebeurde het. Economen hadden hele goede redenen om te denken dat er nooit een crisis zou komen. En voilá, het gebeurde.

Kijk eens naar de wereld om je heen. Zoals je hier nu zit, met je smartphone, je laptop of wat dan ook. En naar het werk dat je doet. Wie had dertig jaar geleden kunnen voorspellen dat de wereld er zo uit zou zien? Niemand. Volstrekt onrealistisch, onwaarschijnlijk, praktisch onmogelijk. En toch gebeurde het.

Hopelijk wordt m’n kind later pessimist
Wat hoop ik voor m’n kind? Dat zijn dromen uit zullen komen? Dat zou opzich leuk zijn natuurlijk. Hoewel. Liever hoop ik iets onwaarschijnlijks: dat-ie gelukkig wordt. Dat hem geen leed zou treffen en dat hij in een wereld leeft waarin vrede heerst. Onhaalbaar. Mooie droom.

Of ik hoop dit: dat hij in z’n leven niet uit zal gaan van alles wat haalbaar is en mogelijk, maar dat hij verder kijkt dan dat. Misschien hoop ik zelfs dat het hem om die reden niet teveel voor de wind zal gaan, want daardoor kan hij vast komt te zitten in een wereld die z’n dromen beperkt tot alleen mogelijke dromen.

Een leven waarin de toekomst er niet florissant uitziet, juist omdat hij dan grootser kan hopen. Een vleugje meer pessimisme dan dat ik heb, zodat hij grootser kan dromen. Dat hij hoop heeft op iets groters, iets onmogelijkers. Dat hij verder kan kijken. Dat hij bergen kan verzetten en nieuwe wegen kan vinden.

Wat een mooie droom. Je zou er pessimistisch van worden.

Bij het programma de Nachtzoen probeerde ik dezelfde gedachte uit te werken:

De filosoof Aristoteles

Context van Aristoteles

Tussen Socrates en Aristoteles staat Plato, ook een van de meest belangrijke filosofen aller tijden. Hij ging verder in het spoor van Socrates, maar deed dat door het oprichten van een school en door aan de hand van dialogen de zoektocht naar waarheid uit te schrijven. Deze vorm maakt het lastig om met zekerheid te zeggen wat Plato zelf vond. Aristoteles ging in de leer bij Plato maar als een goede verhouding tussen leerling en leermeester was hij in staat zijn eigen weg te gaan. Op een aantal fundamentele punten verschilt hij van mening met wat we denken over Plato te weten. Want Aristoteles stelt: “the truth and one’s friends” are loved but “it is a sacred thing to give the highest honor to the truth”.

Net als Socrates, heeft Aristoteles’ afkomst zijn methode beïnvloed. Zijn vader was arts, en dat kan verklaren waarom Aristoteles een hele concrete benadering van de filosofie heeft. Natuurlijk, hij gebruikt ook de rede als methode, maar waar zijn leermeester Plato de vraag naar waarheid antwoordde met abstracte concepten waarvan de dingen die we kunnen zien in de werkelijkheid zwakke aftreksels zijn, begint Aristoteles zijn zoektocht in de concrete dingen om hem heen. Hij verzamelde allerlei biologische gegevens van de wereld om hem heen, ordende ze en schreef er boeken over vol. Hij vindt de benadering van Plato niet zo zinvol, omdat, stelt hij, uiteindelijk al onze kennis komt vanuit die concrete wereld.

Aristoteles was niet alleen de stichter van een filosofische school, maar ook de leermeester van Alexander de Grote, de machthebber uit Macedonië die een groot gedeelte van de bekende wereld aan zich wist te onderwerpen, en daarmee de tijd van het door de Griekse cultuur beïnvloedde ‘hellenisme’ inluidde. Dat bracht Aristoteles tegen het einde van zijn leven ook in gevaar, want met het overlijden van Alexander de Grote ontstond er een anti-macedonische sfeer in Athene. Anders dan Socrates kiest Aristoteles om te vluchten en de stad Athene te behoeden voor nog een ‘zonde tegen de filosofie’.

Aristoteles laat een nieuwe school na, nadat hij gepasseerd werd als opvolger van Plato’s academie. Deze school wordt Lyceum genoemd, maar ook de school van de ‘peripatetici’, omdat de filosofen van deze school rondwandelden in de zuilengallerij van de school, en vermoedelijk, daar ook een deel van hun onderwijs gaven.

Aan Aristoteles hebben we de ordening van wetenschappen te danken die ook nu nog veel gebruikt wordt. Hij is de eerste denker die systematisch aan het werk gaat met verschillende wetenschapsgebieden en de grondprincipes ervan uitwerkt. Dat maakt Aristoteles ongelooflijk invloedrijk, want zijn ideeen zijn goed te volgen. In de middeleeuwen en tot in de vroegmoderne tijd, wordt Aristoteles aangeduide als ‘de filosoof’. Hij bedacht namen voor verschillende wetenschapsgebieden, die ook nu nog in gebruik zijn. En de metafysica (een term die Aristoteles zelf niet gebruikte) werd een van de belangrijkste filosofische disciplines, waarbij werd en wordt gekeken naar de meeste elementaire dingen die we kunnen weten, de kennis over ‘dat wat is’. Voor Aristoteles volgde dat logisch op zijn studie van de natuur, de fysica, en daarom noemde hij zijn boek ‘metafysica’, datgene wat ‘na’ de fysica komt.

Ideeën van Aristoteles

Aristoteles is goed te begrijpen als je insteekt bij epistemologie: ‘wat kan ik weten?’ Aan de hand van deze vraag vallen zijn theorieen over hoe de natuur in elkaar zit (fysica en metafysica) en wat we zouden moeten doen (ethiek) te begrijpen. Aristoteles heeft ongelooflijk veel geschreven, dus we kunnen maar een klein gedeelte doen.

Een belangrijk onderdeel van Aristoteles’ kennisleer is zijn uitgangspunt: datgene wat we in de werkelijkheid zien, kan op een bepaalde manier in ons hoofd terecht komen, waardoor het kennis wordt. Natuurlijk komt de steen die we zien niet als zodanig in ons hoofd, maar wel z’n ‘idee’, of ‘vorm’. Uiteindelijk is het proces van kennis er een van een verandering in het verstand, waardoor kennis in het verstand gelijkvormig wordt aan het object dat we zien, de steen of de boom. Dit klinkt logisch, maar in komende cursussen zullen we zien dat dit niet vanzelfsprekend is. Uit deze aanpak blijkt wel Aristoteles’ preoccupatie met de dingen die we zien. Onze kennis komt rechtstreeks uit stenen, zogezegd, de kennis zit niet al in ons hoofd.

De verandering in het brein loopt parallel aan wat Aristoteles in de fysica wil onderzoeken: verandering van dingen. Kennis van veranderingen en constanten levert uiteindelijk kennis op van de werkelijkheid, die immers continue verandert. Om de dingen in de werkelijkheid te begrijpen, analyseert Aristoteles hen daarom op het gebied van verandering en oorzaak, oftewel: causaliteit. Hij stelt dat in antwoord op de vraag ‘waarom is iets?’ (bijvoorbeeld: waarom is een giraf lang?’) er vier verschillende antwoorden kunnen worden gegeven die leiden tot kennis van het ding. Dit zijn de vier ‘oorzaken’.

Neem het voorbeeld van een tafel. Als wij ons afvragen ‘wat is deze tafel?’ (de waarom vraag van de tafel) dan kunnen we iets zeggen over z’n materiële aspect (hout), we kunnen iets zeggen over z’n vorm-aspect (de vier poten en het tafelblad dat uit dat hout is gemaakt), de werkaspect: de timmerman die de tafel heeft gemaakt en z’n doelaspect: de reden waarom de timmerman deze tafel vervaardigde, bijvoorbeeld om aan te eten. Aristoteles noemt al deze aspecten ‘oorzaken’. Datgene wat een tafel maakt tot een tafel is niet alleen z’n materiaal, maar ook de bewerker en z’n specifieke vorm. Het is zelfs de vorm die bepaalt of iets doorgaat voor een tafel of misschien toch eerder op een stoel lijkt. Maar in nauwe samenwerking met de ‘vorm’ van de tafel, is er ook het ‘doel’ van de tafel.

In onze tijd is het lastig te begrijpen wat Aristoteles bedoelt met de ‘doeloorzaak’. In hoeverre is het doel van de tafel een oorzaak voor ‘waarom en wat deze tafel is’? Sterker nog, in onze tijd zijn we geneigd om bij de vraag van de oorzaak van een tafel exclusief te wijzen naar de maker, ofwel, de werkoorzaak. Maar voor Aristoteles is het elementair dat dingen een doel hebben: iets waarvoor ze zijn gemaakt (vergelijk de analyse van de pen). Dingen, dat wil zeggen: inclusief levende dingen. Hoe kunnen levende objecten nou geen doel hebben, zou Aristoteles zeggen? Hun onderdelen hebben allemaal wel een doel. Een eend heeft zwemvliezen om mee te zwemmen en vleugels om mee te vliegen. Jij hebt ogen om mee te kijken en handen om mee te voelen, hoe kan een eend dan geen doel hebben, hoe kan jij dan geen doel hebben? Het is voor Aristoteles cruciaal voor het begrijpen van een ding, dat je niet alleen z’n werkoorzaak kent, maar ook het materiaal en de specifieke vorm en net zo goed de reden dat het ding op aarde is.

De ethiek van Aristoteles

Deze doelredenering komt terug in Aristoteles’ ethiek. Als je als mens wilt weten wat het goede is om te doen, zegt Aristoteles, is het cruciaal om te weten wat het doel is van de mens. Je kunt pas iets begrijpen, jezelf, of wat goed is in een situatie, als je de situatie kunt beoordelen aan de hand van onder andere het doel.

Doel: gelukkig worden. Methode: uitbuiten van wat de mens is: animal rationale. Gebruik je verstand. Geluk is daarom de voortreffelijkste (deugdzaamste!) versie van jezelf te zijn – dit wordt een tweede natuur. Met je praktische wijsheid kun je vervolgens in elke situatie kiezen wat het beste is. En het beste ligt altijd in het midden. Maar uiteindelijk is een deugd altijd

Maar wat is het doel van de mens? Volgens Aristoteles is dat: gelukkig worden. Hij noemt dit ‘eudaimonia’ en ziet het als het hoogste levensdoel. Maar wat is geluk? Volgens Aristoteles kijk je wederom naar de oorzaken, en kijk je wederom naar wat het is om mens te zijn. De mens, zo stelt hij, onderscheidt zich door z’n redelijkheid. Dat is de ‘vorm’ van de mens en dat is wat de mens onderscheidt van dieren. De vormoorzaak houdt verband met de doeloorzaak, want het doel bepaalt mede hoe het object functioneert – denk aan de pen. En daarom ligt het behalen van zijn levensdoel in de inzet van die redelijkheid. Door je denken in te zetten, kom je als mens tot je doel.

Wat betekent dat in de praktijk? Hoe kun je weten wat je in een bepaalde situatie moet doen? Stel dat je langs een spoorlijn loopt en je ziet een kind op de rails en een grote trein naderen. Je riskeert je leven als je het kind probeert te redden en je hebt maar een split second om te bepalen wat je moet doen. Wat doe je? Anders dan bij Socrates dacht Aristoteles dat dit niet alleen maar een kwestie van kennis is. Want, stelt hij, elke situatie is anders. Hier komt het aan op praktische wijsheid: er is geen tijd om te bedenken wat het meest rationeel is, maar er moet (wel of niet) gehandeld worden. Aristoteles stelt dat de deugd in elke situatie in het midden ligt.

Meer

De filosoof Socrates

De filosoof Socrates

Socrates is zonder twijfel de filosoof die het meest invloedrijk is geweest zonder ooit zelf iets geschreven te hebben. Veel oude filosofische teksten zijn zoekgeraakt, maar het is waarschijnlijk dat Socrates zelf nooit iets opschreef. Wat we van hem weten komt uit drie bronnen (Plato, Aristophanes and Xenophon), waarvan er eentje de spot met hem drijft. Plato is misschien wel de belangrijkste bron, hoewel we eigenlijk nooit zeker weten of Plato opschrijft wat Socrates daadwerkelijk deed en zei, of wat Plato ervan heeft gemaakt. Dit heet het ‘Socratisch probleem’. Maar het is aardig om Socrates’ filosofie te beginnen met hoe hij het volgens zowel Plato als Xenophon zelf vertelt in de rechtszaak die uiteindelijk tot zijn dood zal leiden.

Socrates vertelt hoe zijn vriend Chaerephon naar het Orakel van Delphi gaat, in de Griekse oudheid een belangrijke spreekbuis van de goden en vraagt of er iemand wijzer is dan Socrates. Tot Socrates’ verbazing zegt het Orakel dat Socrates de meest wijze mens is. Hoe kan dat, vraagt Socrates, want om wijs te zijn, heb je kennis nodig en ik heb juist het idee dat ik helemaal niets weet. Maar omdat je goden niet zomaar kunt ondervragen, besluit Socrates te testen of dit waar is, en hij gaat de stad in om mensen te vragen naar hun kennis. Maar, stelt hij, dit is dan niet zomaar kennis, maar kennis van de meest belangrijke zaken. Dus als hij naar de timmerman gaat, wil hij niet weten hoe je een spijker verwijdert uit een oude plank, maar wat de timmerman weet over wat het is dat een timmerman een goede timmerman en een goed mens maakt. Socrates bezoekt de poeten, de politici en de ambachtslieden en onderwerpt hen allemaal aan zijn eigen ‘socratische methode’. Hij vraag naar wat het is om deugdzaam te zijn, en wat een goed leven is, maar hij komt er achter dat hoewel de ondervraagde mensen heel zelfbewust beginnen met hun antwoord, ze al vrij snel stranden als Socrates doorvraagt en hen betrapt op tegenstrijdigheden. Maar het meest confronterende van deze onderzoekingen vindt Socrates het feit dat alle mensen die hij eerst ondervraagt wel volstrekt in de veronderstelling waren dat zij het antwoord op de elementaire vragen hebben die Socrates hen stelt. En dan realiseert Socrates zich wat het Orakel moet hebben bedoeld: Socrates onderscheidt zich van alle andere mensen die hij spreekt van het feit dat hij van zichzelf zegt dat hij niets weet. En dat is een wijsheid op zich, zeker als je het vergelijkt met het valse zelfbewustzijn van zijn stadsgenoten.

Na jaren te hebben rondgelopen in lompen, en voor nop te filosoferen met mensen in de stad (en hen aan zijn categorische vragen te onderwerpen), wordt Socrates voor het gerecht gedaagd door zijn stadsgenoten. Waarschijnlijk zijn de stadsgenoten jaloers op de populariteit van Socrates bij de jeugd, en ze verwijten hem dan ook dat hij de jeugd verziekte met zijn praatjes. Verder hield Socrates er nogal eens afwijkende religieuze ideeen op na, en dat werd het tweede verwijt. Socrates voert zijn eigen pleidooi, dat er (volgens Plato) zelfs op neer komt dat hij, in plaats van de gifbeker te hoeven drinken, de rest van zijn leven gratis eten zou krijgen op kosten van de stad, omdat hij de stad een groot plezier doet met zijn zoektocht naar de waarheid. Maar daar willen de Atheners niets van weten. Ze stemmen voor zijn doodstraf. Socrates verzet zich niet, want, zo stelt hij, hij is niet bang voor de dood. Zijn laatste woorden waren: ‘Hey Crito! We moesten nog een haan offeren, vergeet dat niet!’

Socrates’ ideeën

Over Socrates’ precieze ideeën is het lastig stellige uitspraken te doen. Maar zijn methode was evident. Als zoon van een vroedvrouw vond hij dat het antwoord in mensen zelf lag. Door goede vragen te stellen, kon hij mensen doen inzien wat ze eigenlijk al wisten, of misschien wel dat ze iets zelf niet wisten.

Let op het belang van deze gedachte, die we eerder al zagen in de antieke filosofie. Ons brein is met elkaar geconnect waardoor we bepaalde methodes kunnen hanteren om met elkaar over waarheid te praten. En daarnaast helpt die methode om de kennis die we voor een gedeelte al hebben naar boven te halen. We zien deze gedachte later terug in Plato. Want het is natuurlijk een interessante vraag hoe het kan dat wij mensen vrij makkelijk tot dezelfde conclusies kunnen komen, met gebruik van logica. Plato zal eruit concluderen dat ons brein kennis in zich herbergt, die misschien wel helemaal los staat van de buitenwereld. Voor Socrates geldt: je weet het wel, zeg het maar. Of tenminste: je weet wel dat je niets weet, kom er maar voor uit. Dat is een vruchtbaar startpunt. Dat is de aporia, en het is precies die aporia die je helpt om vervolgens wel degelijk op onderzoek uit te gaan, net zoals Socrates dat doet.

Een van de belangrijkste basale vragen voor Socrates is de vraag naar hoe je gelukkig kunt worden. Geluk, zo stelt Socrates, is het belangrijkste in het leven. was ‘wat moet ik doen?’, ofwel: de ethiek. Ook deze vraag benaderde Socrates vanuit ‘kennis’. Hij begint met de aporie en gaat vanaf daar op zoek naar een antwoord op de ethische vraag. Socrates stelt namelijk (en hier komt een filosofische redenering) dat iets nooit 100% goed is, tenzij je het met wijsheid combineert. Zelfs iets overduidelijks als ‘gezondheid’ is pas goed als het een deugdzaam mens betreft dat gezond is, en niet een boze tiran die allerlei mensen de dood in jaagt. En medicijnen zijn pas goed als ze met wijsheid worden toegepast, want zonder die wijsheid zijn ze dodelijk. Het is dus, zegt Socrates, uitsluitend wijsheid en kennis die een ding goed kan maken.

Maar je zou kunnen zeggen dat ethiek iets anders is dan kennis. Want als je weet wat goed is om te doen, dan wil dat nog niet zeggen dat je dat vervolgens ook doet. Als ik weet dat het niet verstandig is om een sigaret te roken, dan wil dat nog niet zeggen dat ik het ook ga doen. Of als ik weet dat het niet ethisch is om geld achterover te drukken, dan wil dat nog niet zeggen dat ik het ook echt niet doe. Het bijzondere van Socrates’ benadering is dat het suggereert dat dit dilemma niet bestaat. Wie, zo zou Socrates zeggen, zegt er ooit: ‘oh, dit is een goede keuze, maar ik ben niet zo van ‘goed’, dus ik kies voor wat slecht is’. Voor Socrates geldt: no one does wrong willingly. Maar of dat zo is, is nog een beetje de vraag. Je zou kunnen zeggen, hier zit Socrates misschien iets te veel in z’n hoofd. De werkelijkheid werkt, helaas, toch anders.

Socrates’ invloed

Socrates’ invloed is lastig te onderschatten, hoewel het ook moeilijk is om aan te wijzen waar deze precies in zit (omdat Socrates zelf niks opschreef). Maar het gros van de Griekse scholen is aan hem opgedragen en zien zichzelf allemaal als opvolgers van het gedachtegoed van Socrates. Vanaf Socrates is de filosofie definitief de weg op gegaan naar de waarheid, met gebruik van de rede. Zijn methode wordt nog steeds gezien als de blauwdruk van alle filosofische methodes en de aannames die eronder liggen (dat onze ratio ons kan helpen om bij waarheid uit te komen) ook.
In veel dagelijkse praktijk van bijvoorbeeld het bedrijfsleven is het ‘Socratisch gesprek’ nog een veelgebruikte methode. De kracht van de methode ligt erin dat er samen gezocht wordt naar een oplossing voor een probleem, door deze te onderzoeken op dieperliggende zaken. Het is dan van belang dat mensen zorgvuldig naar elkaar luisteren en heel open staan voor andermans argumenten.

Meer

Inleiding Griekse Filosofie

Inleiding Griekse Filosofie

Van de Griekse Filosofie wordt vaak gezegd dat deze écht begint bij  Socrates, Plato en Aristoteles. We bevinden ons dan in de vierde eeuw voor Christus, in het oude Athene. Aristoteles en Socrates zijn elkaar nooit zijn tegengekomen, want Aristoteles werd pas na de dood van Socrates geboren. Wat hen verbindt, is de filosoof Plato. Plato is moeilijk te vatten als filosoof, want hij hield het midden tussen Socrates en Aristoteles in de manier waarop hij filosofie bedreef. Plato schrijft dialogen, en geen uiteenzettingen, en het is niet altijd even duidelijk waar Plato nou zelf staat in z’n dialoog. Los daarvan is het nog even goed om op te merken dat wij in het westen de gewoonte hebben om de denkers (ook vaak in Athene) voor Socrates te benoemen als ‘presocratici’, wat iets zegt over de invloed van Socrates. Er zijn heel veel presocratici, maar vaak worden zij gezien als de eerste westerse denkers die systematisch gingen nadenken over bijvoorbeeld de aard van de natuur. Ze vroegen zich af: waar bestaat alles eigenlijk uit? Of: verandert de wereld constant, of is er ook iets dat blijft?

De school van Athene

De renaissanceschilder Rafael heeft in 1509 een schilderij gemaakt met de belangrijkste antieke denkers erop. Het moge duidelijk zijn wie hij de meeste invloed toekent: Aristoteles en Plato staan in het midden. Daaromheen zitten heel veel verschillende presocratici, maar ook Socrates staat er op. Heraclitus zit vooraan in z’n eentje, Epicurus schrijft bij de zuil, Diogenes ligt op de grond en Parmenides staat naast Heraclitus.
Veel van deze filosofen kwamen uit Athene, dat om allerlei redenen het epicentrum werd van de antieke, Griekse filosofie. De bestuursvorm in Athene was een ‘stadstaat’, een polis, waarin de burgers van de stad (als ze geboren werden uit Atheense ouders) medezeggenschap hadden in het bestuur van de stad en in de rechtspraak. Vanwege de groeiende welvaart in Athene konden welgestelde burgers hun tijd besteden aan politiek en onderlinge discussies. Dit klimaat kon leiden tot de opkomst van filosofen en denkers. Op veel verschillende plaatsen verzamelden denkers en sprekers zich om gedachten uit te wisselen over een bepaald thema. Vanuit veel verschillende bronnen wordt erover gesproken dat Atheners niets liever doen dan een nieuw idee met elkaar bespreken.

Athene

Maar daarnaast was er ook een praktisch nut. Om politieke invloed te krijgen of om jezelf vrij te pleiten voor de wet, was het nodig dat je met goede argumenten de publieke opinie kon beïnvloeden. In de Atheense democratie waren veel mensen actief die speeches schreven en veel burgers in opleiding leerden de kunst van de retorica: het overtuigend spreken. Later in de oudheid stuurden steeds meer mensen hun kinderen naar Athene om les te krijgen in retorica en logica. En hier raakt deze pragmatische, op politiek en eigenbelang gerichte aanpak, aan de opkomst van de Griekse filosofie. In de tijd van Aristoteles behelsde de Griekse filosofie nog zo’n beetje alle wetenschappen, niet in de laatste plaats omdat een belangrijke kerntaak van filosofen was dat ze zich bezighielden met de meest elementaire onderdelen van kennis. Voor een goed betoog heb je logica nodig. Maar hoe werkt logica precies en wat is een geldige redenering? (en hoe kun je foutieve redeneringen van je tegenstander ontmaskeren!) Maar als je met logica bezig bent, ben je ook met kennis bezig, kennis van wat er allemaal bestaat en praktische kennis over wat je moet doen.

Sofisten en waarheid

Maar deze bloeiende stadstaat trok ook de aasgieren aan (zou Socrates hebben gezegd). Er kwamen steeds meer individuele leraren die hun diensten aanboden aan mensen die ze nodig hadden – sofisten werden ze genoemd, en ze leerden leerlingen de kunst van de retorica en logica. Het nare alleen met deze mensen was, dat ze op het gegeven moment zo overtuigd raakten van hun eigen kunnen, dat ze dachten dat ze alles wel konden beargumenteren. Om dat te laten zien, kwam het wel eens voor dat een Sofist de ene dag voor een bepaalde stelling argumenteerde en de volgende dag ertegen. Dit imponeerde mensen behoorlijk en de Sofisten lieten zich goed betalen voor hun begeleiding. Waarheid, stelden de sofisten, is relatief. Ik kan je helpen om beide kanten van een kwestie zodanig te beargumenteren, dat je altijd gelijk krijgt.

Socrates en Plato kwamen hier fel tegen in opstand. Socrates verzette zich tegen het idee dat waarheid maar een kwestie is van overtuigingskracht. Waar sofisten mee bezig zijn, stelde Socrates, is geen kennis, maar zijn meningen. Maar op meningen kun je geen goede samenleving bouwen en kun je nooit weten wat je echt zou moeten doen om een goed mens te zijn. Een filosoof, zo stelt Socrates, moet zoeken naar wat absoluut en onbetwijfelbaar waar is.

Ambitie van de Griekse filosofie

De presocratici waren al begonnen met deze zoektocht. En het is belangrijk op te merken dat deze filosofen werden gedreven door een verlangen naar de absolute waarheid. Niks geen ‘jouw waarheid, mijn waarheid’, maar vaststaande feiten. Maar probeer je eens in te beelden dat je een presocratisch filosoof bent, en je begint met een zoektocht naar de waarheid? Waar begin je? Hoe kom je erachter wat goed is om te doen, hoe weet je welke kennis echt klopt en morgen ook nog en hoe weet je hoe de kosmos in elkaar zit? Wat de antieke filosofen kenmerkt is dat ze besluiten om met redeneringen de echte waarheid boven tafel te krijgen. Als je naar een sofist luistert, krijg je de indruk dat alles wel waar kan zijn, maar als je de rede goed gebruikt, dan kom je toch vanzelf uit bij de waarheid. Let erop hoe bijzonder dat eigenlijk is. Ons denken verbindt ons met elkaar, in een zoektocht naar de waarheid. Als ik een redenering opzet en jij doet even je best, dan kun je die volgen en zelfs reproduceren. En het mooie is dat het dan voor jou sense maakt, en dat je kunt zeggen: jouw redenering klopt. En dat heet logica. Onze breinen werken op een vergelijkbare manier, we kunnen allemaal de logica van iets inzien, alsof we met hetzelfde hoofd denken. Voor de antieke filosofen moest het brein en de logica de methode zijn om op zoek te gaan naar de waarheid. In de ontwikkeling van denken van de presocratici tot aan Socrates, Plato en Aristoteles wordt het op het gegeven moment normaal om verklaringen van de wereld te geven die puur rationeel zijn. De werkelijkheid wordt dan niet meer verklaard op basis van wat je ziet, maar op basis van wat je hebt bedacht, zelfs als je dat niet kunt zien. Er zaten al vroege atomisten tussen de presocratici en mensen die geloofden dat verandering niet bestond.

Maar deze zoektocht naar waarheid staat voor veel van de antieke denkers ook in nauw verwantschap met de ethiek. ‘Wat moet ik doen?’ Als je weet hoe de werkelijkheid werkt, hoe de mens werkt, zo is de gedachte, dan weet je ook wat de mens zou moeten doen om gelukkig te zijn, of, zo je wilt, om echt mens te zijn. Deze vraag komt veel terug in dit college en daarom wil ik hem even neerleggen: ‘wat heb jij nodig om ervoor te kiezen het goede te doen?’

Meer