Waarom ik ongeneeslijk religieus ben

(gedeelte uit mijn boek: www.ongeneeslijkreligieus.nl

Vlak voor mijn achttiende verjaardag ging ik op bezoek bij een professor. Bij hem thuis op de bank. Koffie met een koekje erbij. Hij ging naar dezelfde kerk als ik (zo kende ik hem) en ik wilde hem om raad vragen. Ik was bijna klaar op de middelbare school en ik zou gaan studeren. En de grote vraag was: waar? Met een aantal vrienden had ik vier plekken bezocht: Utrecht, Amsterdam, Kampen en Apeldoorn. In die laatste twee steden bestond de universiteit uit maar één faculteit: theologie. Avondenlang maakte ik lijstjes met voors en tegens per stad.

Ik ben opgegroeid in wat sommige mensen de ‘laatste zuil van Nederland’ noemen: de gereformeerd vrijgemaakte kerk. Ik ging naar een gereformeerd vrijgemaakte basisschool, een vrijgemaakte middelbare school en ik werkte in de zomer op een vrijgemaakte camping. Bij ons thuis werd de vrijgemaakte krant gelezen, ’s zondags ging ik twee keer naar de kerk, doordeweeks volgde ik catechisatie en ging ik naar de vrijgemaakte jongerenvereniging. Mijn vrienden waren allemaal vrijgemaakt, mijn familie was vrijgemaakt, mijn docenten waren vrijgemaakt en bij de verkiezingen stemde iedereen op de vrijgemaakte partij. Ik vroeg de professor: ‘Zou het niet goed voor mijn ontwikkeling zijn om ook eens andere plekken te zien?’

Een goed gereformeerde basis
Als je theologie gaat studeren, is er een dikke kans dat je dominee wordt. Zeker als je theologie gaat studeren in de vrijgemaakte kerk. Ook ik hield er rekening mee dat ik op een dag dominee zou worden. Maar, zo had ik bedacht, zou je nu juist van een dominee niet willen dat-ie iets meer weet van de wereld? Amsterdam leek me wel wat. De professor zei: ‘Niet verstandig. Ga naar Kampen, daar krijg je een goed gereformeerde basis. Pas daarna zou je naar Amsterdam kunnen.’

Ik had het natuurlijk kunnen weten. De professor werkte op die vrijgemaakte universiteit – natuurlijk zou hij me aanraden daarheen te gaan. Maar ik was vooral verbaasd. Ik was namelijk zelf allang overtuigd van mijn eigen argument dat het goed was om verder te kijken dan mijn eigen achtergrond. En ik kon me niet voorstellen dat hij het niet met me eens zou zijn. Natuurlijk moet je je ook buiten je eigen kaders begeven. Dat levert alleen maar voordelen op. Dacht ik. Hij dacht er anders over.

Ik besloot naar Amsterdam te gaan. Ik had alle voors en tegens op een rijtje gezet. Gewikt en gewogen. En uiteindelijk hakte ik de knoop door. ‘Daar moeten we het nog eens over hebben,’ zei een predikant die ik goed kende. Het is er nooit van gekomen. En er was een vrouw uit mijn kerk die zei: ‘Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen.’

Maar ik was daar niet bang voor. Ik was gepokt en gemazeld in de vrijgemaakte theologie en had me deze helemaal eigen gemaakt. Ik geloofde erin. Met alles erop en eraan. En ik twijfelde er niet aan dat een stevig geloof bestand zou zijn tegen een studie in Amsterdam. Ik begreep de voorzichtigheid ook niet. Alsof theologie studeren in Amsterdam een soort universeel recept is voor het kwijtraken van je geloof. Wie dat zegt, dacht ik altijd, heeft niet echt een hoge pet op van z’n eigen geloof. Wie dat zegt, vond ik, moet zich afvragen of-ie het zelf allemaal wel gelooft.

Investeren in mijn persoonlijk geloof
Wel had ik bedacht dat ik me goed moest voorbereiden. Geloofsverlies zou wel op de loer liggen in Amsterdam (of in andere steden dan Kampen). En dus moest ik naast studeren ook blijven investeren in mijn persoonlijk geloof. Als ik de hele dag op college wetenschappelijk met de Bijbel bezig was geweest, dan moest ik niet ‘s avonds op de bank niksdoen. Nee, dan moest ik ‘s avonds alsnog diezelfde Bijbel erbij pakken, maar dan voor een persoonlijke lezing. En voor gebed. Op die manier zou het mogelijk moeten zijn om én in Amsterdam te studeren én mijn geloof te behouden.

Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen. Ze bleek toch gelijk te hebben. Althans: het vastomlijnde geloof dat ik had aangehangen in mijn jeugd begon al snel te kraken in z’n voegen. Ik hoorde dingen op de universiteit die ik nog nooit had gehoord. Erger nog, ik hoorde dingen waarvan ik mezelf afvroeg: waarom heb ik mezelf dit nooit afgevraagd?

‘Leg de twee stambomen van Jezus maar eens naast elkaar’, zei een docent. ‘Ze komen voor een belangrijk deel niet overeen.’[1] En ik dacht: hoe bestaat het. Hoe bestaat het dat ik nooit eerder heb bedacht dat je die twee kunt vergelijken? Waarom is dit in al die uren Bijbelstudie in mijn leven nooit voorbij gekomen? Hoe kan het dat die manier van Bijbellezen zo nieuw voor me is?

Ik ging in korte tijd van absolute zekerheden over naar absolute twijfel. Na een jaar was ik definitief de weg kwijt. Ik kon de schijn nog een tijdje ophouden voor mezelf. Het ging goed met me, ik vond studeren leuk. Razend interessant zelfs. Maar de impact van alles wat ik leerde boorde zich dwars door me heen. En hoe langer dat duurde, hoe meer ik inzag dat veel overtuigingen van vroeger één voor één op de helling kwamen te staan.

Reddeloos verloren?
Ik weet niet zeker of ik definitief mijn geloof verloor. Op sommige momenten wist ik zeker van wel. Soms nu nog wel. Maar ik heb het nooit zo uitgesproken: ‘ik geloof niet.’ Dat heb ik nooit gewild ook. Maar voor de achterblijvers uit mijn jeugd is het waarschijnlijk een uitgemaakte zaak. Veel van wat ik vroeger geloofde, geloof ik nu echt niet meer. Ten opzichte van mijn achtergrond ben ik reddeloos verloren. In mijn jeugd heette dit ‘het hellende vlak’. Als je eenmaal aan één ding begint te twijfelen, ga je op den duur aan alles twijfelen. Als je niet meer gelooft in een zesdaagse schepping, of Jona in de walvis, wat houd je dan nog over? Een drogreden, leerde ik later. Maar de vlieger ging wel op in mijn geval.

En toch. Hoe minder ik ben gaan geloven, hoe minder ik het kan loslaten. Dat zie ik ook bij anderen om me heen. Meestal niet op een directe manier. Niet dat ik nachtenlang lig te malen over wat waar is. Of dat ik elke zondagochtend denk dat ik in de kerk zou moeten zijn. Maar wel op deze manier: dat ik bovenmatig geërgerd kan zijn over streng religieus gedachtegoed. Of de collectieve gêne die ik voel als een gesprek met mijn (veelal ex-christelijke) vrienden soms raakt aan christelijke thema’s. Dat ik geïrriteerd word van christelijke liedjes uit mijn jeugd. Ik heb een hekel aan christelijke liederen zingen. Alles in mij verzet zich ertegen.

Maar ook op een positieve manier: ik vind theologie nog steeds interessant. Op vakantie lees ik boeken over God. Soms moeilijke theologie. Ik vind het belangrijk om geloven niet af te doen als iets achterlijks. Ook niet als het over de islam gaat (ik geef er veel cursussen over). En ik erger me aan mensen die zich te overduidelijk afzetten tegen hun christelijke achtergrond. Het is duidelijk. Ik ben ongeneeslijk religieus.

Afscheid van het vertrouwde
Sommige mensen zeggen: dat ongeneeslijk-religieus-zijn is het loskomen van het geïndoctrineerde systeem uit je jeugd. Als je je leven lang gebrainwasht bent in een bepaalde manier van denken, dan kost het heel veel tijd om er vanaf te komen. Je raakt het nooit helemaal kwijt. Arme jij. Dat vind ik sterk overdreven, zo heb ik dat nooit beleefd. Maar ik ken genoeg mensen voor wie het echt zo voelt. Mensen die hun geloofsopvoeding (licht) traumatisch noemen.

Natuurlijk, ook voor mij geldt dat de verwerking van mijn jeugd me ‘ongeneeslijk religieus’ maakt. Logisch, want je geloof kwijtraken is een verlieservaring. Er is sprake van rouw. Mijn vroegere geloofsopvattingen hoorden bij mij. Ik hield ervan. En nu ben ik ze kwijt. Je kunt het ook coming of age noemen. Je wordt volwassen. De kindertijd is voorbij. Je neemt afscheid van alles wat oud en vertrouwd is. En ik moet me natuurlijk ook verhouden tot mijn vroegere zelf. Tot mijn vroegere achtergrond, waar mijn ouders nog steeds deel van uitmaken.

[…]

Ooit volgde ik een college filosofie bij professor Van Woudenberg. Het ging over beliefs: overtuigingen van allerlei aard. Niet per se religieuze overtuigingen, maar ook politieke of maatschappelijke overtuigingen. Bijvoorbeeld de overtuiging dat het niet goed is om je kind in te enten.[2] De vraag tijdens het college was: hebben deze mensen zelf gekozen voor de overtuiging dat ze hun kind niet moeten inenten?

Natuurlijk! is dan de eerste gedachte. Zeker bij zo’n belangrijke overtuiging. Je gaat er niet van uit dat iemand op een dag wakker is geworden en dacht: hé, ik vind inenten opeens onzin. Nee, iemand heeft nadrukkelijk een keuze gemaakt. Een heel bewuste keuze, en eentje met een heleboel mogelijke consequenties.

Maar werken overtuigingen wel zo? vroeg Van Woudenberg zich af. Kan ik er bijvoorbeeld nu voor kiezen om inenten onzin te vinden? Probeer het eens. Nu. Hier. ‘Ik ben nu écht tegen inenten.’ Lukt het? Mij niet. Ik kan wel doen alsof ik inenten niet belangrijk vind, maar ondertussen vind ik het wel belangrijk.

Geloven is geen keuze
Probeer het met een onschuldiger voorbeeld: kan ik nu besluiten dat ik geloof dat de maan van kaas is? Zo van: ik geloof vanaf nu volledig dat datgene wat we de maan noemen, geen brok van steen is, maar een enorme homp kaas. Van koeienmelk. Kun je daarvoor kiezen? Nee. Want ook al probeer je het, je gelooft dat gewoon niet.

Eigenlijk geldt dat voor alle overtuigingen. Ik kan niet ineens besluiten om een andere politieke oriëntatie te hebben dan ik heb. Ik kan niet kiezen vandaag ook maar eens te geloven dat de maanlanding nep was. Waarom niet? Nou, om te beginnen om deze reden: ik geloof dat niet. Ik geloof wat ik geloof, en ik ben daar (blijkbaar) niet zomaar van af te brengen.

Gek eigenlijk. Want dat lijkt niet te rijmen met de manier waarop we omgaan met mensen die andere overtuigingen hebben dan wijzelf. Jij bent tegen inenten en ik vind daar wat van. Wat als jouw kind ziek wordt? Dan is het jouw schuld. Waarom? Omdat niet-inenten jouw overtuiging was. Blijkbaar houd ik jou verantwoordelijk voor die overtuiging. En als iemand denkt dat Amerikaanse machthebbers zelf de aanslag op 9/11 hebben veroorzaakt, dan vinden we daar iets van. We houden ze verantwoordelijk. Je gelooft in sprookjes, zeggen we dan. Stop daarmee. Geloof dat niet meer. Maar dat gaat dus niet.

Iemand kan niet opeens kiezen iets anders te geloven dan wat-ie gelooft. Jij kunt niet ineens geloven dat de maan van kaas is. En wie eenmaal gelooft dat 9/11 een complot was, kan niet op één moment kiezen iets anders te geloven.[3]

Verantwoordelijk voor wat je gelooft
Een vreemde patstelling. Het lijkt een beetje op mijn ervaring in Amsterdam. Kon ik wel kiezen om mijn geloof te behouden? In eerste instantie zou ik zeggen: ja. Dat had gekund. Als ik het wilde. Maar zo voelde het niet. Sterker nog: als ik zou proberen om wel gelovig te blijven, dan zou het onecht voelen. Het zou voelen dat ik wel zeg te geloven dat de maan van kaas is, maar daar ondertussen helemaal geen barst van geloof. Ja, ik kan wel zeggen dat ik in Jona in de walvis geloof, maar ik geloof daar helemaal geen snars van. Waarom niet? Nou ja, er zijn redenen voor. Maar het begint hier: omdat ik het niet geloof.

De volgende vraag is dan: als mensen niet kunnen kiezen waarin ze geloven, kunnen we mensen dan ook niet verantwoordelijk houden voor wat ze geloven? Zijn mensen volstrekt onschuldig wat betreft hun overtuigingen? Moeten we concluderen dat mensen er niks aan kunnen doen dat ze vinden dat inenten niet belangrijk is? Nee, natuurlijk niet.

Van Woudenberg stelt:[4] we houden mensen wel degelijk verantwoordelijk. Niet voor wat ze vinden, maar voor hoe ze tot hun overtuigingen zijn gekomen. Als mijn buurvrouw gelooft dat 9/11 een samenzwering was, dan werd ze niet op een dag wakker met die overtuiging. Nee, mijn buurvrouw is tot die overtuiging gekomen na diepgravend onderzoek. Ze heeft net zo lang allerlei samenzweerderige blogs gelezen, totdat ze overtuigd was. En we houden haar verantwoordelijk voor dat traject, niet zozeer voor de uitkomst.

Als een tante van mij tegen inenten is, dan is daar waarschijnlijk een proces van overwegen aan voorafgegaan. En bij dat overwegen heeft zo iemand de medische wetenschap minder hoog aangeslagen dan andere overwegingen. En dat proces vinden veel anderen laakbaar. De overweging die leidt tot een overtuiging, daar had iemand op moeten bijsturen. De overtuiging zelf is bijna een logisch gevolg van de overwegingen.

Anders gezegd: als je heel lang op het internet zoekt naar samenzweringstheorieën, dan wordt de kans veel groter dat je erin gaat geloven. Als je inderdaad de medische wetenschap gaat wantrouwen, dan is er een grote kans dat je op een dag tegen inenten bent. Die gevolgtrekking is relatief logisch. En dus zouden we iemand niet verantwoordelijk moeten houden voor de uitkomst, maar voor het proces dat eraan vooraf is gegaan.

Als een boemerang terug
Precies wat die vrouw uit de kerk tegen mij zei, toen ik overwoog in Amsterdam te gaan studeren. ‘Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen.’ En precies waar die professor me voor waarschuwde. Zij zeiden al: je moet het proces niet willen aangaan. Het pad dat je gaat afleggen, riskeert heel sterk de verkeerde uitkomst. Een uitkomst die ik zelf, toen, op de bank bij die professor, niet eens zou willen.

Dan hadden ze toch gelijk. Ik had niet naar Amsterdam moeten gaan. Mijn argument dat het goed was om kennis te maken met andere ideeën kreeg ik als een boemerang terug. Want voor de duidelijkheid, daar op de bank bij de professor was ik absoluut niet van plan om mijn geloof kwijt te raken. Maar het gebeurde wel, precies zoals zij zeiden. En dus had ik, met terugwerkende kracht, niet naar Amsterdam moeten gaan. Een gekke conclusie. Hij zit me ook niet helemaal lekker. Maar ik weet niet goed waarom.

Er staat een paard in je broek (de filosofie van Wittgenstein)

Wittgenstein

‘Stel je voor: een paard.’

Als jij bovenstaande zin leest, dan roept dat een beeld bij je op. Vooral het woord ‘paard’ waarschijnlijk. Ik denk dat je je iets voorstelt dat groter is dan jij, stevig, ik denk donker van kleur en levend. Iets waarvan je hoopt dat het niet op hol slaat.

Bijzonder eigenlijk, dat één woord bij jou iets heel concreets kan oproepen. Je kunt het ook op een grappige manier doen. Dan schrijf ik bijvoorbeeld:

‘daar staat een paard in de gang’.

Alleen die zin al is een carnavalskraker, want iedereen die deze zin hoort heeft er een chaotisch, mogelijk hilarisch beeld bij.

Filosofie

Het duurde vrij lang voordat filosofen studie gingen maken van de bepalende rol van taal in het leven. Dat doen ze pas sinds ruim 100 jaar. Veel daarvan is begonnen bij de filosoof Wittgenstein. Hij schreef in z’n leven twee boeken. Maar na het schrijven van z’n eerste boek dacht hij dat hij al klaar was. Hij had de filosofie opgelost, zei hij zelf.

Hij stelde dat als je de taal snapt, dat je dan ook het hele denken de baas bent. En dat er buiten taal niet iets zinvols is. En dus gaf Wittgenstein een grondige analyse van wat de taal wel en niet kan, en zat z’n werk erop.

Wittgensteins taal

Je moet taal zien als het overbrengen van plaatjes, zei Wittgenstein. Een soort instagram van voor de uitvinding van smartphones. Als ik het woord ’paard’ gebruik, dan probeer ik mijn idee van paard naar jou over te brengen. En als ik dat woord combineer met ‘staat in de gang’, dan wil ik er een bepaalde stand van zaken mee overdragen. Dat gaat meestal heel goed, want je schiet al gauw in de lach.

Het probleem is echter dat er ontzettend veel woorden zijn die niet een eenduidig beeld oproepen. Als ik zeg:

‘het paard staat symbool voor de liefde’ (ik verzin maar wat)

Wat voor beeld roept dat dan bij jou wakker? Welk beeld communiceer ik met het woord ‘liefde’? En waar staat het woord ‘symbool’ voor? Geen idee, zei Wittgenstein. En dus kun je over dat soort dingen eigenlijk niet zinvol spreken. De liefde is misschien geen zinloos iets, maar je kunt er domweg niet eenduidig over spreken. En dus heb je grote kans dat iemand iets anders begrijpt dan wat ik bedoel. Iedereen met een relatie van langer dan twee weken weet wat ik bedoel.

Een paard in je broek

Mijn vader zei vroeger soms:

‘Je paard loopt weg’.

(Hij zei het in dialect: ‘je peerd leup weg’). Ik begreep altijd direct wat hij bedoelde en deed direct m’n gulp dicht. Maar onlangs ontdekte ik dat alleen mensen die dat specifieke dialect kunnen verstaan weten wat die zin betekent. Het is een wijsheid die je alleen in Oost-Nederland tegenkomt. En het woord ‘paard’ betekent hier iets heel anders dan wat je je eerder voorstelde toen ik het woord gebruikte.

Overigens: het zou ook denkbaar zijn geweest dat toen m’n vader zei ‘je peerd leup weg’, dat we op dat moment aan het schaken waren. In dat geval staat ‘paard’ weer heel ergens anders voor.

De latere Wittgenstein

En dat was wat Wittgenstein zich later in z’n leven begon te realiseren. Zelfs bij een concreet woord als ‘paard’ is er geen garantie dat een boodschap eenduidig wordt overgebracht. Datzelfde woord kan eigenlijk van alles betekenen en wat het precies betekent wordt bepaald door de context: het schaakbord, wonen in het oosten of op de boerderij.

Na een leven lang denken gooide Wittgenstein het roer om. Hij schreef een nieuw boek over taal, ditmaal over de complexe, contextafhankelijke werking ervan. Hij had de filosofie toch niet opgelost. Wel een stapje verder geholpen.

Misschien denk je: what’s new?

Bovenstaande kan zo logisch klinken, dat het weinig vernieuwend lijkt. En dat klopt ook wel, althans: in het voorbeeld van het woorde paard. Maar denk dan maar eens aan het woord ‘politiek correct’ wat je tegenwoordig vaak hoort. Eigenlijk is dat een vergelijkbare discussie. Welk woord mag je wel of niet in welke context gebruiken, welke machtsstructuren worden door dat woord in stand gehouden en wie stoot je daar mogelijkerwijs mee voor het hoofd? Taal is een veel krachtiger instrument gebleken dan we ooit hadden gedacht. Het werd tijd dat filosofen er eens wat pk denkkracht in zouden gooien.

Ongeneeslijk Religieus 2: waarom we liever niet in God geloven

Er is een prima reden om niet in God te geloven: er gaan heel veel mensen dood. Soms zo veel dat men massaal het geloof verliest. Zoals in Lissabon, 1755.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Waarom we liever niet in God geloven

We gaan terug naar de eerste helft van de 18e eeuw. Het was het hoogtepunt van de Verlichting in Europa. De briljantste filosofen liepen rond, de wetenschap was in een stroomversnelling geraakt en men geloofde in de toekomst. Lissabon was de hoofdstad van een gigantische kolonisatiemacht. De Portugezen waren overal ter wereld te vinden en brachten alle rijkdom die ze vonden naar hun hoofdstad. Lissabon was rijk, machtig en vol van aanzien. Maar in dat jaar kwam alles aan een eind in november 1755.
En het was het moment waarop de filosofie begon af te rekenen met God.

Op een avond in november…

Op 1 november, Allerheiligen, brandden in alle katholieke kerken in Europa kaarsjes ter nagedachtenis aan de heiligen en martelaren uit de geschiedenis. Veel mensen waren in de kerk. Ook in Lissabon. Niemand kon vermoeden dat er op dat moment, op een paar kilometer van de kust van Portugal een aardbeving ontstond. Een van de dodelijkste aardbevingen die de wereld ooit heeft gekend.

Terwijl veel gelovigen in de kerk zaten, begon de stad op haar fundamenten te trillen, zo’n vijf minuten lang. Mensen vluchtten in paniek de kerk uit naar open ruimte. Niet iedereen lukte dat: veel mensen stierven onder de vallende stenen in de kerk. De verbijstering was enorm. Honderden doden.

Het werd nog erger. 40 minuten na de aardbeving kwam een tsunami. Een muur van water zoals Europa nog nooit had gezien, spoelde in één oogwenk iedereen weg die net een veilig onderkomen had gevonden. Lissabon werd bedolven onder water.

Duizenden doden.

Daar bleef het niet bij: de honderden kaarsjes in de vele kerken vielen om door de kracht van de aardbeving. Het vuur verspreidde zich door de stad en verzwolg alles wat de aardbeving en de tsunami hadden laten staan. Tienduizenden doden.
85 procent van alle gebouwen in Lissabon was weggevaagd, tienduizenden mensen verloren hun leven. Het leger van Portugal kwam en verbood iedereen die nog in leven was de stad te ontvluchten voordat alle lijken waren geruimd. Ziektes braken uit. De ellende was gigantisch.

Waar was God op Allerheiligen?

Europa keek in verbijstering toe. Wat gebeurt hier? Waarom krijgt Lissabon dit allemaal te verduren, nota bene op allerheiligen? En: waar is God op zo’n moment?

Er is veel over Lissabon geschreven in die tijd. Bijvoorbeeld door de filosoof Immanuel Kant. Hij was een van de eersten die bedacht dat een aardbeving misschien ook gewoon een natuurlijke oorzaak had. Het was de geboorte van aardrijkskunde in Europa.

Kun je nagaan: voordat Immanuel Kant op dit idee kwam, dacht men veel eerder aan bovennatuurlijke redenen voor een fenomeen als een aardbeving. God dus. En dat hij het een keertje nodig vond. Maar de ramp van Lissabon was zo gruwelijk (en het was nota bene een christelijke feestdag!) dat die verklaring onder druk kwam te staan.

God kreeg een onvoldoende

Kun je serieus nog geloven dat God hier iets mee te maken heeft? Misschien niet eens als aanstichter, maar hij had toch kunnen ingrijpen?

Na Lissabon stonden er voor het eerst in de geschiedenis van het Westen denkers op die zeiden: ik geloof het niet meer. Voltaire was er zo één. Hij stelde dat de wereld een puinhoop is en daarmee uit. Niks geen groter plan, niks geen goddelijke wijsheid. Het hem wel, maar hij kon niet anders concluderen dan dat het broddelwerk was. God kreeg een onvoldoende. Deze ramp sloeg nergens op.

De meeste denkers durfden het niet aan om God zo buitenspel te zetten. Ook Immanuel Kant niet. Ze zeiden iets wat lijkt op wat ik vroeger op de zondagsschool hoorde: een borduurwerk heeft twee kanten. De onderkant is een chaos maar de bovenkant is prachtig. Wij mensen zien de onderkant van onze wereld, maar God ziet de bovenkant.

Een gotspe, als je net al je familie bent verloren.

Charles Taylor, een hedendaagse filosoof zegt het zo: 500 jaar geleden was het een beetje bizar als je niet in God geloofde. En 500 jaar geleden was het doodnormaal om aardbevingen toe te schrijven aan God. Tegenwoordig is het een beetje bizar als je wél in God gelooft. En vandaag de dag is het een gotspe om te zeggen dat God aardbevingen veroorzaakt. Tegenwoordig noemen wij aardbevingen betekenisloos natuurgeweld.

Vanaf Lissabon geldt: als het ons lukt zonder God, dan graag, dankuwel.

Maar lost de God-loosheid iets op?

Veel mensen kennen het verhaal van de aardbeving van Lissabon niet – ik kan me niet herinneren dat ik het op school heb gehad. Maar filosofe Susan Neiman zegt: Lissabon was Auschwitz voor Auschwitz.

Tja, Auschwitz was natuurlijk wel een tandje zwaarder. En een aardbeving gaat over natuurlijk kwaad. De natuur gaat z’n eigen gang. Daar zit geen reden achter, zeggen we tegenwoordig. Maar Auschwitz was moreel kwaad. Dat is wat jij en ik elkaar aandoen. Daar zit geen redeloze natuur achter – maar mensen. Mensen die elkaar dit met hun volle verstand aandoen. En hoe. Auschwitz was vele malen gruwelijker.

Toch was er een reden dat Immanuel Kant en vele anderen in zijn tijd niet zo ver gingen als Voltaire. Dat ze God graag een plek wilden blijven geven. Ze waren bang voor het idee van betekenisloos kwaad (zie vorig blog). En ze vroegen zich af: wordt het eigenlijk wel beter zonder God?

*de centraliteit van Lissabon in de westerse omgang met het kwaad komt uit het boek van Susan Neiman: Het kwaad denken.

Ongeneeslijk religieus 1: Filosofie en het geloof in God

Geloven in God heeft een belangrijk voordeel: het kan je helpen onheil in je leven beter te verklaren. Maar misschien ben je beter af zonder verklaring.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Cursus Empathie

Toen Emily McDowel 38 jaar was, kreeg ze kanker. Negen maanden lang zat ze in intensieve chemotherapie om de kanker te doen slinken. Ondertussen stroomde haar brievenbus vol met kaarten. Ze kon er de muur mee behangen, zoveel kaarten.

De meeste van die kaarten sloegen de plank compleet mis.

“What doesn’t kill you makes you stronger” las ze. En: “Lachen is het beste medicijn!”. Nog één: ‘Everything happens for a reason”. Allemaal niet wat je wilt horen als je net je haar bent verloren en al dagen als een vaatdoek in bed ligt.

Nog vaker hoorde ze niks. Mensen wisten niet wat ze moesten zeggen.

Jaren later begon ze een bedrijfje dat ‘Empathy cards’ maakte. Kaarten voor mensen die niet weten wat ze moeten zeggen. Of die hoogstwaarschijnlijk de plank zullen misslaan. We hebben het hard nodig, zegt Emily McDowel. Empathie komt ons vandaag de dag niet meer aanwaaien.

filosofie en het geloof in god

Wat jij en ik verleerd zijn

Wij, postmoderne mensen zijn goed in een heleboel dingen, maar niet in omgaan met lijden. Of met de dood. We hebben er letterlijk geen woorden voor. We weten niet wat we moeten doen en we weten niet hoe we erover na moeten denken. Er zijn nog nooit mensen geweest in de geschiedenis die er zo slecht in waren als jij en ik.

Je ziet het terug in ons taalgebruik. Als het om kanker gaat, hoor je vaak strijdbare termen: “let’s kick cancer’s ass” en “fuck cancer”!. En je ziet beelden van de Alpe d’Huzes en mensen die tot het uiterste gaan. Dat is soms goed en belangrijk, maar niet als je de strijd verliest. Opgeven is geen optie. Zelfs niet als je gewoon dood gaat. Zo vertelt ook deze stervende kankerpatient.

Het absurde

Eigenlijk is het geen wonder dat we zo slecht kunnen omgaan met lijden en dood. Nooit was er een tijd en cultuur waarin mensen zoveel kunnen begrijpen van de wereld om hen heen. Voor alles zoeken we een verklaring, voor elk probleem wordt een oplossing verzonnen. Met dank aan de wetenschappelijke revolutie. Als de schrijver Harari de geschiedenis van de mensheid samenvat (in dit boek), dan stelt hij dat die wetenschappelijke revolutie één van de meest impact volle dingen is die de mens ooit is overkomen.

Maar het lot blijft bestaan. Het lot dat bepaalt dat jij op een dag ziek wordt. Dat je vader of moeder te vroeg overlijdt. Dat je vriend of vriendin bij je weggaat omdat het niet langer gaat. Gebeurtenissen waar wel een natuurlijke oorzaak voor te vinden is, maar waar geen antwoord bestaat op de waarom vraag. Waarom ik? Waarom nu? Waarom niet?

Dat is het type gebeurtenissen waarvoor jij en ik jaren nodig hebben om er vat op te krijgen. Als het al lukt. Vaak niet eens. In de filosofie wordt dit ‘the absurd’ genoemd. Je denken stopt. Er is geen reden.

filosofie en het geloof in godDe spanning van nu

En tegelijk is dat krankzinnig. Voor alles zoeken we een reden. Mensen zijn reden-zoekende wezens en postmoderne mensen helemaal.

Sterker nog, religie kan functioneren als een reden. De geschiedenis door zeggen mensen die lijden: God heeft er een plan mee. Of: God straft voor zondigheid. Liever een slechte reden, of ééntje die je niet begrijpt, dan helemaal geen reden.

Dit is de spanning waarvan de filosoof Charles Taylor zegt dat het postmoderne mensen typeert. Het verklaart dat religie nooit helemaal weg gaat, ook niet als de wetenschappelijke trein voortdendert. Iemand in mijn colleges zei het zo: natuurlijk geloof ik niet in God, maar ik weet ook dat er meer is tussen hemel en aarde.

Hoe kwamen we hierin terecht?

Deze spanning komt ergens vandaan. In de loop van de tijd werden we wie we zijn. Een belangrijke fase in die geschiedenis werd door de filosoof Nietzsche aangewezen. God is dood, zei hij. Weg, verdwenen. En als God dood is, dan is er nooit meer een antwoord op de waarom-vraag.

De komende blogs wil ik stilstaan bij deze ontwikkeling. Nietzsche had ‘m niet bedacht, hij constateerde het. [linkje naar video over Nietzsche] En hij waarschuwde. Het leven wordt er niet eenvoudiger op, zonder God.

filosofie en het geloof in godFilosofie en het geloof in God (2)

Met haar Empathy cards wil Emily McDowel mensen helpen. Reken af met het zoeken naar redenen, zegt ze via haar kaarten. Empatie vandaag de dag betekent het stoppen met zoeken naar verklaringen. Aanwezig zijn is genoeg. Een hand vasthouden. Meehuilen en meebalen. God is dood, er is geen reden, we moeten het zelf doen.

Er zijn ook mensen die zeggen: juist als je dat doet, ben je spiritueel bezig. Ze verwijzen naar de christelijke versie van de uitspraak ‘God is dood’. God hing aan een kruis en toen iedereen zei: kom er dan vanaf! doe er wat aan! – toen bleef hij hangen. De filosoof Slavoj Zizek zegt het zo: een echte christen is een atheïst.

Ongeneeslijk Religieus 3: Nietzsche over de dood van God

Mensen kennen de filosoof Nietzsche van ‘de dood van God’. Die gedachte heeft ons veel gebracht. Maar Nietzsche waarschuwt ook voor de gevolgen ervan.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Nietzsche over de dood van God

Stel, jij bent vijf jaar oud en je ouders nemen je mee naar de Ikea. Dat is goed nieuws, want de Ikea heeft een ballenbak en Zweedse gehaktballetjes. Je ouders gaan de winkel in en jij vermaakt je met alle andere kids in de ballenbak. Na een poosje ben je er wel weer klaar mee.

Al snel klinkt het door de Ikea: ‘Willen de ouders van [jouw naam] hun kind ophalen uit Småland?’ Maar van je ouders geen spoor, ook niet als de oproep nog twee keer wordt herhaald.

De andere kinderen worden wel opgehaald. Tot de ballenbak, op jou na, verlaten is. Het personeel van de ballenbak heb je trouwens ook allang niet meer gezien. Je tuurt eens over de rand de winkel in, maar net op dat moment gaan de lichten uit. Wacht. Wat..?

Daar zit je dan. Tussen de ballen. Dit is krankzinnig, denk je. Al die gekleurde ballen. Wat doe ik hier? En m’n ouders… zijn die me nou serieus vergeten? Hoe moet het verder?

De dood van God, je kunt opnieuw beginnen?

Dat, zegt de filosoof Friedrich Nietzsche, is het gevoel dat je zou moeten hebben als je op een dag hoort dat God dood is. Volstrekte waanzin. Absolute eenzaamheid. Richtingloosheid.

De uitspraak van Nietzsche dat God dood is, kennen we. Het komt uit een verhaal dat Nietzsche schreef over een gestoorde man die met een lantaarn op het marktplein liep en continu riep: ‘Waar is God?’

Minder bekend is hoe het verhaal verder gaat. Want de gestoorde man houdt een speech. ‘Wij hebben God gedood’ stelt hij, en:

Hoe hebben we het klaargespeeld om de zee leeg te drinken? Wie gaf ons de spons waarmee we de hele horizon konden wegvegen? (…) Maken wij niet één onafgebroken val? En wel achterwaarts, zijwaarts, voorwaarts, naar alle kanten?

Het ballenbakgevoel. Je ankerpunt is weg. God is dood. Je kunt opnieuw beginnen.

Hoe moet je verder?

Misschien denk je nu: wat een onzin. Ik heb niet het idee dat God dood is. Of: ik heb niet het idee dat we veel missen nu God dood is. Bovendien zijn we stuurloos.

‘God is dood’ is eigenlijk ook een vreemde uitspraak. Geloofde Nietzsche dan dat God eerst wel leefde? En hoe werkt dat, als goden sterven? Ik denk dat het niet zo belangrijk is. Het tweede deel van de speech van de gestoorde man is veel interessanter.

Filosofen van de afgelopen eeuw hebben de nadruk gelegd op de gevolgen van Nietzsche’s uitspraak. Daar zit je dan, alleen in de ballenbak – en je vraagt je af hoe het verder moet. Want dat verklaart waarom ik in vergelijking met m’n oma zoveel meer keuzes moet maken (zie ander blog). En het verklaart waarom lijden voor ons betekenisloos is (zie nog een vorig blog).

Ik wil’ in plaats van ‘gij zult’

De filosofie van na de dood van God gaat over ‘vrijheid’, ‘authenticiteit’ en ‘worden wie je bent’. Prachtige termen, die tegelijk een hoop stress veroorzaken. ‘Veroordeeld tot vrijheid’ noemt de filosoof Sartre dat. Het levert zowel hoge burn-out– en eenzaamheidscijfers op als ongekende vrijheid en mogelijkheden. Net als in de ballenbak.

En nu? Gaat het verhaal verder? Hoe ziet de toekomst eruit? Ook daar had Nietzsche ideeën over. In een andere passage schrijft hij weer een ander, bizar verhaal.

Ooit werd de geest geboren, stelt hij. Mensen gingen nadenken. Ze werden zich bewust van zichzelf en hun omgeving. En ze kregen vragen. Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen? Ballenbakvragen, zo je wilt.

Het duurde niet lang, stelt Nietzsche, of de geest transformeerde in iets anders. Een kameel. Een lastdier, bepakt met bagage. Discipline, regels, richtlijnen. Een loodzwaar pakket van eisen die de mens schijnbaar vrijwillig op zich neemt. Een pakket dat even ambitieus als onhaalbaar is. Teleurstellingen liggen op de loer.

Natuurlijk kun je in die kameel religie te herkennen. Volgens Nietzsche heeft de kameel continu te maken met een draak die ‘gij zult’ heet.

Dat houdt niemand vol. En dus wordt de geest een leeuw die de lasten van zich afwerpt. De leeuw verslaat de draak. En vanaf dat moment staat centraal wat de mens zelf wil. ‘Ik wil’ in plaats van ‘gij zult’. Geen voorgeschreven regels meer, maar absolute vrijheid. Religie is dood. God is dood. We doen het zelf.

Maar het verhaal gaat verder. Want de geest moet nog een laatste keer transformeren. De leeuw is niet het eindstation. Er moet een laatste fase komen, zegt Nietzsche, de fase van het kind. Onschuldig. Weerloos. Spelend. Dat is de toekomst voor de mens, na de dood van God. Spelenderwijs opnieuw uitvinden wat het leven waard is. Opnieuw beginnen.

Levenskunst is leren spelen

Het verhaal van de leeuw en de kameel kan een beschrijving zijn van de geschiedenis: op een dag waren we klaar met God. Maar het is ook een beschrijving van het leven van elke mens. Geboren worden, regels gehoorzamen en dan de vrijheid. Maar daar eindigt het niet. Levenskunst is leren spelen. Een nieuw mens worden.

Leg je eigen leven er maar eens langs. Waarschijnlijk kun je de fases aanwijzen. Wanneer jij de lasten droeg van wat je allemaal moest en hoe je daarmee misschien afrekende. Maar ook hoe het verder ging en hoe je zelf iemand bent geworden.

God is dood. Meer dan ooit geldt: je moet het zelf doen. Spelenderwijs. Zoekenderwijs. Alleen, in de ballenbak van het leven. Opnieuw geboren worden. Geen wonder dat ook theologen zich gaan bezighouden met de dood van God – maar daar ga ik in mijn volgende blog op in…

Ongeneeslijk Religieus 4: de dood van God, leve de keuzestress

God is dood. Keuzestress leeft. Filosofen schrijven er veel over. En het is goed te zien aan m’n oma. Zij heeft God nog en aanzienlijk minder keuzestress.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Keuzestress: mijn oude oma en ik

Ik heb een oude oma van 80. Ze woont al bijna haar hele leven in Mariënberg (dat ligt in Overijssel). Soms ga ik bij haar en m’n opa op de koffie – ik weet precies wanneer die net gezet is. Ik weet ook wat ze zondags eten en ik weet wanneer ze naar hun vaste plek in de kerk lopen: om 13.45 uur – ze zijn steevast een half uur te vroeg.

Zelf woon ik in Amsterdam. Elf jaar geleden heb ik de omgeving van Mariënberg verlaten en ben ik in de stad gaan wonen. Mijn oma vraag altijd of het er druk is, in Amsterdam. ‘Ja’, zeg ik dan.

Ik denk niet dat mijn oma zich ooit heeft afgevraagd of ze kinderen wilde of niet. Ik wel. Of ze wilde samenwonen of direct trouwen. Of ze dat liever alleen zou blijven. Voor al deze vragen kan ik tegenwoordig bij The School of Life terecht. Ze bieden ook cursussen aan met de titel ‘worden wie je bent’ en ‘ongeveer 25 visies op de zin van het leven’. Dat kost €44 per avond en vaak heb je er echt wat aan.

Gekke dingen gebeuren altijd heel ver weg

Sommige mensen zeggen: de tijd van je oma komt nooit meer terug. De rust, het ritme, de regelmaat. De vooruitgang, de wetenschap en de globalisering hebben haar ingehaald. In Amsterdam zit je er middenin.
Concreter: in Amsterdam zit je midden tussen de mensen die heel anders zijn dan jij. Ze geloven iets compleet anders, ze kijken anders naar de wereld en vaak zijn ze nog hartstikke aardig ook.
Mijn oma zegt altijd: ‘Gekke dingen gebeuren altijd heel ver weg’. En toen kwam de televisie. En het internet. Opeens kwamen gekke mensen en gekke dingen op de koffie.

We zijn individueel, democratisch en seculier geworden

Mijn oma en ik zijn een fragment van een groter verhaal – dat is het verhaal van de afgelopen 500 jaar, waarin westerse mensen individueel, democratisch en seculier zijn geworden. Hoe is dat gegaan?

Charles Taylor, een hedendaagse filosoof (ik haalde hem in het vorige blog al aan) stelt dat postmoderne mensen, zoals jij en ik, meer dan ooit tevoren ervan doordrongen zijn dat wat wij denken en geloven verre van vanzelfsprekend is.

Anders gezegd: 500 jaar geleden leefden mensen in een wereld waarin ze praktisch nooit mensen tegenkwamen die én een beetje normaal waren én heel iets anders geloofden dan zij zelf. Niet in levende lijve, maar ook niet op tv.
In de postmoderne tijd zijn we omgeven door mensen die heel iets anders geloven. Tuurlijk, iedereen heeft z’n eigen bubbel, maar we noemen het ‘onze bubbel’, omdat we heel goed weten dat je ook in heel andere bubbels kunt zitten. Het wordt ook wel melting pot genoemd. En de laatste tijd steeds vaker: pressure cooker. Want het levert een hoop stress op.

Carrièrestress, partnerstress, zingevingsstress. De druk op het individu is nog nooit zo hoog geweest. We moeten alles kiezen. En o wee als je de verkeerde keuze maakt. Gauw een cursus doen bij The School of Life. (over deze spanning schreef ik al eerder, zie hier).

De snelkookpan is geëxplodeerd

Sommige mensen zeggen: de tijd van je oma gaat voorbij. De wetenschap heeft religies ingehaald. Taylor zegt iets anders. Hij zegt: in onze tijd is de pressure cooker geknapt. Er kwam een explosie. En alles wat er in die cooker zat, is eruit gespat. Tegen de muren, tegen het plafond.

Ieder z’n eigen religie, ieder z’n eigen spiritualiteit, ieder z’n eigen visie op het leven. Dat was het resultaat. We schrapen het bij elkaar, ieder voor zich. Terwijl we dachten dat religie en spiritualiteit zou verdwijnen, zijn er nu een talloze opties over. ‘25 of meer visies op zingeving’ bij The School of Life.
Het is er allemaal niet eenvoudiger op geworden. God ging dood en wat we overhielden was keuzestress. De filosoof Friedrich Nietzsche, de God-is-dood-profeet zei het al: het wordt er niet eenvoudiger op. (Meer hierover in het volgende blog).

Soms ga ik bij oma op de koffie. En hoewel ik blij ben dat ik niet in Mariënberg woon, denk ik toch vaak: soms zou ik willen dat ik kon leven als zij. Minder keuzes, minder stress. Meer tijd over om gelukkig te zijn. Een soort fantoompijn is het. Een verlangen naar iets dat er niet meer is. En iets dat onmogelijk ooit weer terug kan komen.

Ook filosofen rekenen: Al-Khwarizmi

Veel wetenschap begint bij rekenen, bij de wiskunde. Zo ook de wetenschap in het Arabische Rijk. De belangrijkste figuur daarin: Al-Khwarizmi.

Wetenschap ontstaat uit onwetendheid, zegt de schrijver Harari. En onwetendheid kan leiden tot nieuwsgierigheid. Ik schreef erover in een vorig blog. Maar hoe ontstaat zulke nieuwsgierigheid? In de Islamitische wereld zag het er ongeveer zo uit:

Uitdagingen

Toen het Islamitische rijk in de 8e eeuw enorm groot was gegroeid, ontstond er een dringende behoefte aan kennis. De politieke leiders uit die tijd werden geconfronteerd met splinternieuwe politieke uitdagingen. Hoe bestuur je een rijk dat zo groot is? Hoe weet je überhaupt hoe groot het is? Hoe hef je belasting?

Maar de Islam als splinternieuwe religie bracht ook z’n uitdagingen met zich mee. Wat is de juiste bidrichting naar Mekka als je weet dat de aarde bolvormig is? (een vliegtuig naar New York vliegt immers ook nooit rechtstreeks over de globe, maar altijd met een boogje). Of: hoe zorg je ervoor dat de enorm gedetailleerde erfeniswetten van de Koran op de juiste manier worden uitgevoerd?

Op de schouders van reuzen

Het antwoord op veel van deze vragen kwam van wetenschappers. Zij haalden kennis en wijsheid uit de verschillende beschavingen die het Islamitische rijk had overgenomen (Byzantijnen, Perzen, Hindoe-volken en meer) en ontwikkelden hun eigen wetenschap.

En al snel ontdekte men dat als je ergens moest beginnen, dan was het wel bij de wiskunde. Al-Khwarizmi kreeg de delicate opdracht nou eens een compleet wiskundig systeem te ontwikkelen, op basis waarvan de wetenschap weer verder kon. In de inleiding van zijn boek schrijft hij:

“ik ga de makkelijkste en handigste rekenkunde onderwijzen, die men vaak nodig heeft in: erfrecht, nalatenschappen, onderverdeling, rechtspraak en handel, en in al het andere normale menselijke verkeer, of met betrekking tot het graven van grachten, geometrische berekeningen en berekeningen van andere objecten.”

Kortom: voor alles.

Al-Khwarizmi’s wiskunde: 0 en x

En Al-Khwarizmi doet drie dingen: hij importeert het Indiase getalsysteem. De Romeinse of Griekse cijfers zijn alleen maar ingewikkeld zegt hij, maar met het Indiase getalsysteem heb je maar 10 tekens nodig. We gebruiken het tot op de dag van vandaag.

Met dat Indiase getalsysteem is iets bijzonders aan de hand. Er is een teken voor de 0. En dat had geen enkel ander systeem tot dan toe. Want het concept 0 is toch een beetje vreemd. Je kunt het niet delen, je kunt er moeilijk mee rekenen, 0 is natuurlijk niks (en waarom zou je er dan een teken voor hebben). En, de 0 was een beetje spannend. Het niets, de leegte, het zwarte gat: iets om bij weg te blijven (zie bijvoorbeeld deze ‘biografie van het gevaarlijke idee 0’.0.

Al-Khwarizmi doet nog iets. Hij introduceert algebra. En in vergelijking met klassieke rekenkunde introduceert hij dus het rekenen met het concept ‘x’. In plaats van: 2+3=? introduceert Al-Khwarizmi: 2+x=5. Zeker bij complexe sommen is dit een enorme uitkomst.

Maar voor ‘x’ geldt hetzelfde als voor 0: wat is het? Het is onwetendheid, het is iets niet weten. Het is staan in onzekerheid. ‘Nergens voor nodig’, zeggen veel tijdgenoten en zeiden veel culturen (zie mijn vorige blog). Maar Al-Khwarizmi doet het toch.

De filosoof

Met ‘x’ en ‘0’ waagt deze wetenschapper zich op gevaarlijk terrein. Het gevaar van dingen willen weten die misschien wel niet voor je oren bestemd zijn. Maar Al-Khwarizmi gaat de uitdaging aan. Hij wil weten. Hij gaat zoeken. De wiskundige Al-Khwarizmi is filosoof in z’n puurste vorm: iemand met liefde voor de wijsheid.

“The Scientific Revolution has not been a revolution of knowledge. It has been above all a revolution of ignorance.”

Harari, Sapiens: een kleine geschiedenis van de mensheid

Godsbewijzen: het ontologisch godsbewijs

In deze serie ‘Godsbewijzen’ wordt drie keer een godsbewijs (en hun weerleggingen) uit de geschiedenis behandeld. Hier: het meest hardnekkige godbewijs.

Serie: godsbewijs

In deze serie Godsbewijs’ wordt drie keer een godsbewijs (en hun weerleggingen) uit de geschiedenis behandeld.

Intro

Het ontologisch godsbewijs is filosofisch gezien het meest ‘slanke’ bewijs. Zelfs als je leven een droom zou blijken te zijn, en alles wat je denkt te zien onecht, dan nog kun je tot dit godsbewijs komen – zo is de claim. Het ontologisch godsbewijs gaat enkel uit van concepten in ons denken.

Stap 1: vormen

‘Concepten’ in ons denken hebben veel te maken met hoe de werkelijkheid werkt. Stel je bijvoorbeeld eens een cirkel voor. Een cirkel is een vorm waarbij alle uiterste punten even ver van het midden verwijderd zijn. En stel je nu een vierkant voor. Een vierkant heeft vier even grote hoeken en vier even grote zijden. Helder.

Maar stel je nu eens een vierkante cirkel voor. Dat kan niet. En daar hebben we geen zichtbaar bewijs voor nodig: de concepten voor ‘cirkel’ en ‘vierkant’ sluiten elkaar uit. Voor een bepaald figuur kan niet gelden dat alle uiterste punten even ver van het midden verwijderd zijn en dat er vier even grote hoeken in staan. Een vierkante cirkel is een conceptuele contradictie.

Stap 2: de eenhoorn

Bestaan er eenhoorns? Veel mensen zeggen van niet. Het zijn sprookjesdieren. Maar dat is gek, want iedereen heeft een visuele voorstelling van wat een eenhoorn is (een eenhoorn is een (wit) paardachtig wezen met een hoorn op het hoofd). Terwijl als ik zou zeggen: ‘bestaan er wiziewarda’s?’ dan zou je eerst vragen: wat is een wiziewarda?

Een eenhoorn bestaat conceptueel, zeggen filosofen. Hij bestaat in ons hoofd, of in een sprookjesboek of een sprookjesfilm. Als concept, als bedenksel. Maar niet in de buitenwereld, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk.

Stap 3: God

En nu naar God. Of je nou zegt: ‘God bestaat’ of: ‘God bestaat niet’, of zelfs: ‘ik weet niet of God bestaat’ – in alle gevallen hebben we het over een concept ‘God’.

En daar begint het ontologisch godsbewijs. Dat concept ‘God’ – wat is het precies? Nouja, bij ‘God’ denkt iedereen al gauw aan: almachtig, eeuwig, alwetend, etc. Alles wat daarvan afwijkt, lijkt al een stuk minder op wat de meeste mensen zich voorstellen bij ‘God’.

De middeleeuwse monnik Anselmus (d.1109), die dit argument als eerste uitwerkte, vatte dat concept samen als: “God is datgene waarboven niets groters gedacht kan worden”. Want als er wel iets was dat groter was dan God, dan zouden we dat God noemen. Zit wat in.

Stap 4: het bewijs

Nu komt-ie: als God datgene is waarboven niets groters gedacht kan worden, dan moet hij (zij/ het) ook bestaan. Want ‘bestaan’ is groter dan ‘niet-bestaan’. En als God niet zou bestaan, dan zou er iets gedacht kunnen worden dat nog groter is – alles wat (een niet-bestaande) God is en dan ook nog bestaand.

Of, anders gezegd. Als je zegt ‘God bestaat niet’ zeg je eigenlijk zoiets als ‘vierkante cirkel’: het is een conceptuele contradictie. Want het concept ‘God’, datgene waarboven niets groters gedacht kan worden, impliceert dat het bestaat. Het is immers het grootst denkbare (en dus bestaat het).

En?

Dit is een van de meest hardnekkige godsbewijzen ooit bedacht. Wat denk jij ervan? Valt-ie te weerleggen?

(volgende blog meer!)

De filosofie van René Descartes (in gif)

René Descartes leefde van 1596-1650 en had een idee.Als wiskundige ging hij de filosofie op een baanbrekende manier te lijf.

René Descartes leefde van 1596-1650 en had een idee.

Als wiskundige ging hij de filosofie op een baanbrekende manier te lijf.

Hij vroeg zich af: wat is hetgeen we het meest zeker weten?

Wat is waar, is het datgene wat we zien, of datgene wat we denken?

Sommige dromen kunnen bijvoorbeeld zo echt zijn, dat ik niet door heb dat ik droom. Maar zou dat niet voor het hele leven kunnen gelden?

Weten we bijvoorbeeld ZEKER dat we (zoals in de film The Matrix) niet gewoon een brein op sterk water zijn, dat impulsen krijgt toegediend waardoor we denken mee te maken wat we meemaken?

Descartes denkt van niet. Zo beschouwd, twijfelen we aan alles en weten we NIETS zeker!

Maar wacht eens… (zegt Descartes)

Zelfs als we aan ALLES twijfelen – dan nog kunnen we iets zeker weten: dat we twijfelen, en dus: denken!

En als ik denk, dan besta ik dus ook!

“Ik denk dus ik ben” werd een van de beroemdste uitspraken van de filosofie – het begin van de moderne tijd.

Filosofie en islam

1000 jaar geleden. Het Arabische Rijk en de islam waren dominant. Er was wetenschap, filosofie en tolerantie. Daar hoor je tegenwoordig nooit meer over.

Islam in Europa

Intolerant, onverdraagzaam, onverlicht en geen wetenschap (laat staan filosofie). Alles wat West Europa niet is. Zo wordt de islam vandaag de dag nog wel eens getypeerd. Daar kun je van alles over zeggen, maar wat je ook kunt zeggen is dit: 1000 jaar geleden werd er in Europa hetzelfde gezegd, maar dan de andere kant op.

Het lijkt vergeten geschiedenis. Maar een Islamitische, Arabisch sprekende beschaving heeft eeuwenlang grote delen van Spanje gedomineerd, tot aan de grens van het huidige Frankrijk (zie het kaartje hieronder)

andalusië

Verhoudingen van het Islamitische rijk per periode.

Rond het jaar 711 kwam een Noord-Afrikaanse leger onder de vlag van het Islamitische rijk in Damascus Spanje binnen. Ze veroverden in korte tijd het hele Iberische schiereiland en bleven er jaren zitten.

Columbus

Pas in 1492 werd het laatste restje Islamitisch rijk veroverd door een Christelijke koninkrijk. Dat is het jaar dat Columbus naar Amerika vertrok. En het jaar dat afgekondigd werd dat alle Joden (die tot dan toe zonder al te veel problemen in het Islamitische rijk woonden) het gebied moesten verlaten. Eén ervan ging mee met Columbus naar Amerika. En een ander was de opa van Spinoza – zij belandden later in Nederland.

Een kleine 800 jaar was er Arabische cultuur, architectuur wetenschap, filosofie, kunst en islam te vinden in Europa. Cordoba, de hoofdstad van het Islamitische rijk in Spanje, wordt vaak genoemd als de belangrijkste stad van Europa in die tijd.

Filosofie

En de filosofie bloeide. Joodse filosofie, Arabische filosofie en hier en daar wat Christelijke filosofie. Als het ergens werd bedreven in Europa van die tijd, dan was het in het Arabische deel.

Sterker nog: het was grotendeels dankzij het Islamitische rijk in Spanje dat de filosofie- en wetenschapsgeschiedenis in Europa een nieuwe ontwikkeling doormaakte. De (intolerante, onderontwikkelde, niet-verlichte?) christelijke cultuur die langzaamaan de steden van Andalusië veroverden, troffen er enorme bibliotheken aan, vol met onbekende wetenschappelijke en filosofische boeken, waarvan er veel uit de Griekse oudheid kwamen.

Werken van Aristoteles, Ptolemeus, Archimedes, Euclides, Galen en vele anderen waren, in het Arabisch vertaald, in die bibliotheken te vinden. De Europese veroveraars hadden nog nooit van deze namen gehoord.

Europa van nu

menocal

De koortsachtige vertaalbeweging, van het Arabisch in het Latijn, die in de 12e eeuw in Europa begon wordt vaak gezien als de eerste stap naar de wetenschappelijke revolutie die later in Europa plaatsvond.

Er wordt steeds meer geschreven en gediscussieerd over de invloed van het Islamitische rijk op Europa. Wat zeker is: lange jaren lang was er geen tolerantere cultuur in Europa dan de Islamitische (zie hiernaast een interessant boek daarover). En de Europese wetenschappelijke ontwikkeling heeft heel veel te danken aan de kennis uit het Islamitische rijk.

Modder gooien naar elkaars beschaving heeft niet zoveel zin. Beter is het goed op de hoogte te zijn – tijd dus om dit stukje geschiedenis weer eens naar voren te halen.

Meer