Filosofie voor met het bord op schoot: Schopenhauer

je kunt dit blog ook luisteren – handig, met je bord op schoot! 

 

Een blogje voor bij de avondmaaltijd

Zo. Zit je lekker te eten? Ik wens je toe dat deze maaltijd het lekkerste is wat je ooit hebt gehad. Ik wens je toe dat de smaken in je mond perfect combineren met elkaar. Dat de textuur geweldig is. Dat je honger gestild wordt en dat je er weer tegen aankan. Gesterkt, verkwikt, gelaafd.

Tot je weer honger krijgt natuurlijk. Dan moet je weer gaan eten. En daarna weer – want dan heb je opnieuw honger gekregen.

En morgen nog een keer en overmorgen en over vijf jaar nog steeds.

Het hoogtepunt der hoogtepunten

Net als met seks trouwens. Daar krijg je nooit genoeg van. Of anders gezegd: je bent nog niet klaargekomen of je denkt al aan de volgende keer. En se volgende keer wordt beter. Steeds beter, steeds lekkerder, op zoek naar het hoogtepunt der hoogtepunten.

Goeie kans dat je in je werk hetzelfde doet. Je zit nu misschien lekker maar je houdt oren en ogen open. Of je dit helemaal niet lekker en je loert op een volgende uitdaging. Jaa, een nieuwe uitdaging, dat zou top zijn. De ideale baan, dat zou geweldig zijn, het liefst met een ideaal salaris. Als dat toch lukt, dan ben je gelukkig. Dan kun je eten wat je wilt. Lekker eten. Het beste eten. Michelin ster eten. Heerlijk. Verzadigdend, gesterkt, verkwikt, gelaafd.

Tot de volgende ochtend. Dan heb je weer honger. En meer zin in seks dan om aan je werk te gaan.

Schopenhauer

wat is dat toch? Wat zorgt er toch voor dat we zo onrustig streven en zoeken en nieuwe dingen willen? Hoe kan het eigenlijk dat ons leven een groot vermoeiend streven is? Wat is het dat ons continu aanzet tot meer en meer en meer en nog meer?. Niemand ontsnapt er aan, en zelfs de meest kluizenaar-achtige types geloven we nooit helemaal. Het kan niet anders of ze maken wel eens een misstap.

De 19e eeuwse filosoof Schopenhauer zegt: dat is de wil tot leven. Een diepe kracht, in ons allemaal die ons aanstuurt alsof we marionettenpoppen zijn. We dansen ons hele lange leven lang naar de pijpen van de wil tot leven. De wil tot leven maakt dat je hier nu zit te eten, dat je vriendelijk naar elkaar knikt, dat je doet alsof het heerlijk is, en dat je je lippen aflikt. terwijl je eigenlijk gewoon wordt voortgestuwd door die wil tot leven. De wil tot leven die zegt: als je niet eet, ga je dood. Marionettenpoppen. Met kauwende kaken.

Onzekerheid in de filosofie

In de 18e eeuw deed een nieuw soort onzekerheid z’n intrede in de filosofie. Deze onzekerheid was diepgaander, heftiger, erger dan alles wat er daarvoor voor onzekerheid was geweest. Deze onzekerheid was allesomvattend. En deze onzekerheid was onoplosbaar – althans, zo was het bange vermoeden. David Hume was de eerste die ermee kwam. En Immanuel Kant ging ermee verder.

Ha! Wetenschap, zei David Hume (zie dit blog). Vooruitgang! Laat me niet lachen. Wie vertelt ons dat hoe wij, rationele mensen, de wereld zien en begrijpen, wie vertelt ons dat dat klopt? Hoe weten we zo zeker dat onze wetenschappelijke blik niet een verzonnen verhaaltje is?

En Immanuel Kant (zie hier), een van de grootste filosofen van de moderne tijd zei: David Hume heeft gelijk. Het is net alsof we allemaal een bril op hebben waarmee we naar de wereld kijken. Zonder bril zien we niks. En met bril kunnen we wetenschap maken. Of religie of sprookjes over onze wereld. Iedereen heeft zo’n bril. Ook jij, hier aan tafel. Want zonder bril zie je niks. Zonder bril kun je niet denken, de bril zorgt ervoor dat je grip krijgt op de wereld. De bril is de manier waarop jouw brein werkt. De bril is de manier waarop jouw brein iets probeert te snappen van de grote verwarrende buitenwereld. Een hond heeft waarschijnlijk ook een bril. Een hondenbreinbril. Maar dat is een heel andere bril.m dan jouw bril.

Maar dan komt de onzekerheid: hoe ziet de wereld eruit lòs van onze bril? Wat is de wereld achter jouw bril, mijn bril en die van de poedel van Schopenhauer of Jayne Mansfield? Wat weten we eigenlijk over de echte wereld? Wat weten we van de dingen ‘an sich’?

Niks, zegt Kant. Niks, zegt Hume. Onzekerheid.

Marionettenpoppen

Ho wacht! Zegt Schopenhauer. Ik heb een idee.

Het is niet iets wat je kunt zien. Je kunt het niet bestuderen. Je komt het niet tegen op straat. Nee, de echte wereld kom je tegen aan je binnenkant.

De echte wereld, het ding an sich, is de wil tot leven. Die voortstuwende kracht die maakt dat je nu boven je bordje hangt. Malende kaken.

Arme jij. Arme ik. Arme wij allemaal. Marionettenpoppen van de wil tot leven. Jaa, zegt Schopenhauer, en die wil heeft niet het beste met je voor. Die wil heeft het beste met zichzelf voor. En daarvoor gebruikt hij jou.

De wil tot leven

De wil tot leven wil dat er geleefd wordt. En dus zet hij jou aan tot eten. Maar de wil tot leven wil ook dat er voortgeplant wordt. En dus zet hij jou je leven lang aan om een partner te vinden. Om seks mee te hebben. Om kinderen mee te maken. Maar de wil tot leven heeft daarbij niet jouw geluk op het oog. De wil tot leven heeft zichzelf op het oog. En daarom lijk jij niet op je partner. Jij zegt: ‘we vullen elkaar aan’ maar de wil tot leven zegt: ik moet jouw onhebbelijkheden compenseren. Lange mannen met korte vrouwen. Extraverte mensen met introverte. Slimme mensen gecombineerd met gezellige mensen. De wil tot leven drijft jou om een partner te zoeken die het beste nageslacht oplevert.

Misschien heb je het addertje onder het gras al door. Als het gelukt is met de kinderen, zit jij nog met die partner. Die lijkt niet op jou. En die heb je niet uitgezocht om het gezellig mee te hebben – ja, dat vertel je jezelf wel, maar de wil tot leven weet wel beter. Als het gelukt is met die kinderen, zit jij nog met die partner. Een lange lijdensweg. Uitzitten de rit.

Let maar eens op oude mensen. Ze hebben groeven in hun gezicht. Dat zijn groeven van teleurstelling in het leven. Groeven van continu naar iets streven en dan weer onverzadigd blijken. Groeven van steeds weer denken dat je gelukkig bent en dan weer een keiharde deceptie.

Wen er maar aan. Dit is het geheim van het leven. Het is de echte wereld. Dit is wat onkenbaar werd geacht – het is de wil tot leven. Marionettenpoppen zijn we. Met malende kaken.

Help

Wat kunnen we doen? Niet veel, zegt Schopenhauer. Er is geen ontkomen aan. Nouja, er zijn drie verzachtende strategieën. Hier komen ze:

  1. Probeer af en toe te vergeten. Als je een spannend boek leest. Of een goede film kijkt. Het is alsof je er zelf in zit. Dan vergeet je de tijd en je vergeet je eigen ego. Of: als je staat te genieten van een overweldigend uitzicht. Je wordt geconfronteerd met natuurgeweld. Dan denk je: wat stel ik nou eigenlijk voor?
    Goed zo, zegt Schopenhauer – voor een korte tijd overwin je de wil tot leven. Je eigen ego. Je streven naar meer voor jezelf.
  2. Wat ook kan is je met filosofie bezighouden. Want dan weet je tenminste dat je wordt voortgedreven door de wil tot leven. Misschien valt het leven dan minder tegen.
  3. Of je wordt toch kluizenaar. Zo goed en zo kwaad als het gaat. Je wordt kluizenaar en daarmee activist. Want dit is wat kluizenaars doen: zich verzetten tegen de natuurlijke impulsen. Ze vasten wanneer ze honger hebben, ze onthouden zich van seks. Ze hechten geen waarde aan materieel bezit of aan lekker eten en drinken. Allemaal om de wil tot leven te sarren.

Net goed.

Schopenhauer was zelf geen kluizenaar. Hij was wel ongelukkig en teleurgesteld. Zijn eerste boeken werden nauwelijks verkocht. Hij was ongelukkig in de liefde. Hij woonde jarenlang met z’n poedels als enige gezelschap, ergens in een flat. En hij hield van lekker eten en drinken. Misschien bevrijdde het hem heel even van z’n eigen misère. Malende kaken van een Marionettenpop.

God als superheld en waarom geloven vandaag de dag zo moeilijk is.

Ongeneeslijk religieus

In een nieuwe blogserie over filosofie en geloven in God, neem ik je mee in de vraag hoe we zijn geworden wie we zijn: seculiere, postmoderne mensen, levend in de tijd van de dood van God. Langs verschillende historische gebeurtenissen en filosofische vragen kan er zo een beter begrip van jezelf en de huidige tijd ontstaan. En ik evalueer of ze een punt hebben, filosofen die zeggen: ‘misschien staat God ook weer op’. Klik hier voor mijn boek: Ongeneeslijk Religieus.

Er zijn maar weinig mensen die geloven in God tegenwoordig. Dat komt omdat iedereen denkt dat God een superheld is. Maar God is geen superheld. Terwijl onze wereld wel een superheld zou kunnen gebruiken.

Overdag een gewone sterveling, ‘s nachts de schrik van de misdaad: Batman. Talloze verhalen en films zijn er over hem verschenen en hij heeft nog altijd een trouwe schare fans.

Eigenlijk is Batman gewoon Bruce Wayne. Hij heeft een grotemensenbaan en ziet er onberispelijk uit. Pas ‘s nachts is Bruce Batman. Wie zou er niet willen zijn als Bruce?

Probleem

Maar de naïeve Batman heeft niet helemaal in de gaten dat de misdadigers die hij ‘s nachts bestrijdt, worden veroorzaakt door het systeem waar hij overdag aan bijdraagt. Misdadigers zijn de outcasts, zij kregen geen kansen, zij werden aangekeken op hun kleur, zij worden nooit ergens aangenomen. Misdadigers worden gecreëerd door het systeem waar ze zich tegen verzetten.

En dus dweilt Batman met de kraan open. Als het systeem van ‘overdag’ niet verandert, blijven er misdadigers ontstaan, hoeveel hij er ‘s nachts ook bestrijdt.

God

Bijna alle mensen van vandaag de dag rekenen God (onbewust) tot de superhelden. Sommige mensen geloven dat zo’n superheld-God echt bestaat (net als bij Batman). Hij is druk bezig om al jouw en mijn problemen op te lossen. Hij kan bovennatuurlijke dingen doen en bemoeit zich actief met jouw leven.

Veel atheïsten baseren zich trouwens ook op zo’n superheld-God. Lees de boeken van ‘nieuwe atheïsten’ als Dawkins, Harris en Hitchens maar eens. De God waar ze heel sterk niet in geloven, is net Batman.

Want ook als je niet in God gelooft, moet je een beeld hebben van waar je dan precies niet in gelooft. En dus heeft iedereen wel een beeld van God.
En dat beeld van God is bijna altijd God-als-superheld. Dat zit zo:

Geschiedenis

Sinds de wetenschappelijke revolutie zijn moderne mensen gewend om de wereld met een wetenschappelijke bril te bekijken. Descartes begon er al mee. In een door religieuze oorlogen verscheurde tijd stelde hij voor: laten we nou eens beginnen bij de ratio – niet bij geloof.

En hoe belangrijker die rationele bril werd, hoe moeilijker het werd om nog te geloven in een superheld-God, die op bovennatuurlijke wijze ingrijpt in onze wereld (zie ook blog 2).

Zelfs theologen geloofden niet meer in die superheld-God. In blog 5 zagen we hoe Dietrich Bonhoeffer, opgesloten in een concentratiekamp, definitief stopte met geloven in zo’n God (daar noemde ik hem de ‘God of the gaps’).

Van God kun je niet meer zeker zijn, concludeerden alle grote denkers. Maar om ‘m nou direct dood te verklaren (zoals Nietzsche later deed) is ook zo wat. God is nog wel ergens goed voor: om mensen te inspireren en te helpen om goed te doen in de wereld.
In een wereld waar God nooit ingrijpt, moeten mensen hun eigen boontjes doppen en daar kunnen ze best wat inspiratie bij gebruiken. Immanuel Kant en John Locke kozen deze lijn. Geloven in God helpt je om een goed mens te zijn, zeiden ze. God grijpt niet in, maar je komt wel verder als je in hem gelooft.

Van God naar mens

En zo krijg je vanaf de Verlichting iets dat ‘liberale theologie’ heet. Alle bovennatuurijke randjes en elk bovennatuurlijk ingrijpen wordt weggehaald bij God. Wat overblijft is inspiratie, mooie woorden en een aanmoediging om zelf iets goeds van de wereld te maken. Er zijn vandaag de dag nog steeds veel liberale kerken waar je iets dergelijks hoort.

God verdwijnt naar de achtergrond. En niet veel later was hij dood (volgens Nietzsche). Wat overblijft is de mens. Het liefst de beste exemplaren die we hebben. Nelson Mandela, Martin Luther King, Ghandi.

De mens vergoddelijkt, zoals ook Mandela, King en Ghandi een bijna goddelijke status hebben. Zij zijn de inspiratiebronnen van de moderne tijd. Als er mensen zijn die iets van God begrepen hebben, dan zijn zij het. Als je iets van God wilt zien, kijk dan naar hen.

Evaluatie

Die liberale theologie heeft een groot voordeel: je hoeft niet meer te geloven in een onwaarschijnlijke superman-God. Geloven in God kan prima met een wetenschappelijke bril op. God kan inspireren tot een beter leven, zoals ook Mandela, King en Ghandi inspireren. Maar liberale theologie heeft ook een nadeel: we moeten het alleen doen (zie ook blog 4). Goed mens zijn, de wereld verbeteren, Gods koninkrijk op aarde realiseren, alles ligt op ons bord.

En wij, mensen, worden daar moe van. We zijn er trouwens ook niet zo goed in. Als de 20e eeuw iets heeft laten zien, dan is het dat mensen elkaar verschrikkelijke dingen aandoen. Daar heb je geen God voor nodig: communisme, fascisme, nazisme, kapitalisme.

Met z’n allen hebben we het Batman-probleem. Onze beste helden bestrijden ‘s nachts het kwaad, dat we overdag met z’n allen creëren.
Daar komt bij: Batman is ook maar een mens. Anders dan veel andere superhelden heeft hij geen bovennatuurlijke krachten. Wat we eigenlijk nodig hebben, is een supermens. Eentje met bovennatuurlijke krachten. Maar ja, daar geloven we niet meer in.

De spagaat van veel gelovigen

Veel gelovigen zitten in deze spagaat. Het superheld-geloof in veel orthodoxe geloof is niet te verenigen met de rest van het leven (of die boodschap nou wordt verpakt in een hippe, postmodern ervaringsgerichte beleving of niet). En bij liberale vormen loop je de deur uit en denk je: is dit het nou?

Waren we nog maar jong en naïef. Dan konden we geloven in Batman en Superman en in superman-God. Maar we zijn wereldwijs geworden. We geloven niet meer in sprookjes en onze wereld is een beetje zouteloos geworden.

Op weg naar een nieuwe theologie

Er zijn theologen die zeggen: er is een nieuwe theologie nodig. Een postmoderne theologie. Een theologie na de dood van God. Die is niet naïef is en ook niet zouteloos.

Sommige theologen zeggen dat die theologie er al is. God is bezig met een comeback. En deze begint in de filosofie. De laatste twee blogs gaan daarover.
Inspiratie voor dit blog komt uit Phil Sneider: Preaching after God: Derrida, Caputo, and the Language of Postmodern Homiletics

Vier filosofen om je te begeleiden bij je goede voornemens

Goeie voornemens – you’ve gotta hate’em. Toch beginnen veel mensen er elk jaar weer aan – jij misschien ook. Dit jaar hebben we een aantal filosofen uitgezocht die je kunnen bijstaan. Ook als je je voornemens (weer) niet gaat halen. Denkjewel!

 

1. Vooraf

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat je begonnen bent met goede voornemens. Goeie kans dat je vorig jaar ook al iets probeerde en goeie kans dat het mislukt is. En elk jaar heb je weer genoeg geloof om eraan te beginnen.

Misschien moet je daarmee ophouden: echt denken dat het gaat werken. En gelukkig is er dan Augustinus. Weinig filosofen zijn zo druk bezig geweest om te laten zien dat de mens van nature slecht is dat echte verbetering je nooit zal gaan lukken.

Lekker dan, denk je misschien. Maar er zit ook een voordeel aan: de verwachtingen blijven lekker laag. Kijk maar gauw het filmpje dat Alain de Botton maakte over Augustinus:

2. De moed begint je in de schoenen te zinken

Je bent al even bezig, maar het is moeilijker dan je dacht. Je hebt nog geen grote fout begaan maar een peptalk zou je kunnen gebruiken. Karl Marx gaat je helpen.

Maar Marx heeft een hekel aan theoretisch geouwehoer. Filosofen doen het, religieuze mensen doen het, eigenlijk doet iedereen het. Als we niet oppassen zijn we de hele dag bezig (via Facebook bijvoorbeeld) om ons eigen wereldbeeld te bevestigen. We lezen de kranten waar we het van tevoren al ongeveer mee eens zijn, we volgen pagina’s die zeggen wat wij denken en we kijken alleen naar TV die in ons straatje past. Het is als een drug die je ogen sluit voor de echte wereld, zegt Marx. Vandaar zijn beroemde quote:

‘religie is de opium van het volk’.

Natuurlijk, Facebook, opium, drank en religie leveren fantastische ervaringen op. Maar het nadeel is ook duidelijk: het leidt af van de echte wereld, door te vluchten in een wereld die als een deken over je eigen wereld ligt. Jouw taak als mens, zegt Marx is anders:

‘Het komt er niet op aan de wereld te begrijpen, maar om haar te veranderen.’

Geef jezelf een schop onder je kont. Aan de slag. Al dat gepieker (en gelees!) over goede voornemens is maar afleiding. Verander je wereld! Vandaag nog! (meer over Marx in dit filmpje (2.5 minuut))

3. Ai. Je bent de fout ingegaan

Ongelooflijk. Gaat het weer mislukken dit jaar? Maar misschien is het nog niet te laat. Immanuel Kant helpt.

Je bent vaak geneigd je goede voornemens af te rekenen op of je ze gehaald hebt of niet. En als het niet gelukt is, reken je jezelf er weer helemaal op af. Maar Immanuel Kant roept je tot de orde. We leven in een wereld waarin veruit de meeste dingen die gebeuren, gebeuren om redenen die buiten onszelf liggen.

Als je een bepaald voornemen hebt (meer sporten, meer tijd voor je familie) dan zijn er legio dingen buiten jezelf die ervoor kunnen zorgen dat je het voornemen niet haalt (je raakt verlamd, je familie verhuist naar Australië, ik noem maar wat).

Als dat zo is, zegt Kant, dan is de intentie (het voornemen zelf) dus veel belangrijker om te hebben, dan de uitkomst ervan. Vertel dat jezelf op dit moment. Ja, je bent de fout ingegaan, maar je intentie was al veel belangrijker. Misschien geeft dat je kracht om door te zetten.

4. Je geeft op

Helaas, het is niet gelukt. Net als bij ieder ander die je kent trouwens. Wat jij nodig hebt, is een flinke shot determinisme van de Griekse filosofische school ‘Stoa’. Simpel gezegd houdt dat in dat het allang vast stond dat je zou falen. Alles staat al vast (zegt de Stoa. Wat jij vanavond op je bord hebt liggen staat al vast voordat je weet waar je zin in hebt.

Je sterfdatum staat ook al vast. En of je dit jaar verliefd wordt ook. De Stoa gaat een stap verder dan Kant. Als alles al vastligt, zeggen zij, dan is er voor jou maar één ding belangrijk: je eraan over geven. Het stomste wat je zou kunnen doen in een wereld waarin alles vaststaat, is ervan balen dat de dingen gaan zoals ze gaan (ook al zou die emoties ook al vaststaan natuurlijk).

Dit blog is ook voorbestemd (volgens de Stoa) en ook dat jij naar aanleiding hiervan gaat proberen je te verzoenen met hoe de dingen gaan. Ook als dat betekent dat je je goede voornemens niet hebt gehaald. Niet kwaad worden op jezelf, maar denken: ach nou ja, zo heeft het moeten zijn.

Jammer?

Ach nou ja, we wisten van tevoren dat het niet zou gaan lukken. En het is maar de vraag of je er met filosofie echt beter in zou worden. We sluiten af met een quote van Nietzsche. Een beetje cynisch misschien, maar wel lekker realistisch. Op een realistisch 2017!

Leven is lijden. Maar overleven is betekenis vinden in dat lijden.

Kant in gif

Stel:
je zit in een treinwagon waarvan de remmen kapot zijn en je dendert een heuvel af.

 

Opeens zie je een splitsing komen en het enige wat jij kunt doen is kiezen of je rechts of links gaat (je remmen zijn nog steeds kapot):

 

Rechts op het spoor staan 5 nietsvermoedende mensen en links 2. Welke kant laat je de razende trein opgaan?

 

Veel mensen zeggen: liever 2 onder de trein dan 5.

 

Als je dat zegt, ben je een: “utilist” – je wilt het grootste goed voor zoveel mogelijk mensen.

 

Maar stel dat je niet op de trein zit maar op een brug bent geklommen. Je ziet de trein aan komen razen.

 

Er staan weer 5 nietsvermoedende mensen op het spoor en er staat een hele dikke meneer naast jou.

 

Als je hem op het spoor gooit, stort de brug in en worden de 5 mensen niet aangereden

 

Dus: 1 leven tegen 5. Wat zou je nu doen?

 

De meeste mensen zeggen: je mag die meneer niet omduwen.

Maar waarom niet? Is de situatie zo anders?

Immanuel Kant (1724-1804) heeft bedacht waarom niet.

 

Hij zegt: een mens mag je nooit als middel gebruiken voor iets anders.

 

Een mens is altijd een doel op zich. Kant is een deontoloog.

 

Denk er maar eens over na als je weer in de trein zit: ben je utilist of deontoloog?

 

God or not – tegen het ontologisch godsbewijs (2)

Intro

Volgens de middeleeuwse monnik Anselmus is de definitie van God: ‘datgene waarboven niets groters gedacht kan worden’. En als je de allergrootste bent, dan besta je natuurlijk ook (in plaats van dat je slechts een idee bent). Ook een eerste tegenargument hebben we al behandeld.

Tegenargument 2

De filosoof David Hume kwam zo’n 700 jaar na Anselmus met een pittige kritiek. Het verschil tussen denken aan een eenhoorn en denken aan een vierkante cirkel, zei Hume, is dat je over de eenhoorn kunt praten alsof het bestaat. De vierkante cirkel is een logische contradictie, dat kan niet.

Als je een kind uitlegt wat een eenhoorn is, kan het zijn dat het vraagt: bestaan eenhoorns ook echt? En dan kun je ja of nee antwoorden. Dat kan niet als je het met een kind hebt over een vierkante cirkel. Als het kind snapt wat je bedoelt, zal het niet vragen: en, bestaan ze ook?

Maar, ging Hume verder, los van logische contradicties (vierkante cirkels) kun je alles denken als bestaand en niet-bestaand. Je zou je kunnen voorstellen dat koningin Maxima niet bestond. Of dat er geen kleur blauw zou zijn. Je kunt je zelfs voorstellen dat er op een dag wel eenhoorns blijken te zijn.

Verdieping

Denk eens aan koningin Maxima. En denk daarna eens aan koningin Maxima als bestaand. Wat is het verschil? Niks, zou Hume zeggen. Zelfs denken aan een eenhoorn impliceert dat je denkt aan een eenhoorn als bestaand.

De essentie van de dingen, dat wat een ding is, staat los van hun daadwerkelijke bestaan. En daarom kun je van alle dingen vragen: bestaat het? Maar als dat zo is, kun je van niks bewijzen dat het, vanuit de essentie geredeneerd wel moet bestaan.

Immanuel Kant

Immanuel Kant, een Duitse denker is het met Hume eens. ‘Bestaan’, zegt hij, is niet zoiets als de kleur ‘blauw’. Als we zeggen: ‘kijk daar loopt een blauwe eenhoorn’ dan zeggen we daadwerkelijk iets over die eenhoorn. Namelijk dat-ie blauw is.

Maar als we zeggen: ‘daar loopt een bestaande eenhoorn’, dan zeggen we niet iets anders dan: ‘daar loopt een eenhoorn’. Bestaan is niet een eigenschap, het is een voorwaarde voor het hebben van eigenschappen. Een eenhoorn heeft niet één hoorn, want een eenhoorn bestaat niet. Maar we stellen ons bij een eenhoorn alleen een paardachtig wezen voor dat één hoorn heeft.

Dus, zegt Kant, Anselmus veronderstelt eigenlijk al het bestaan van God door te stellen dat God bepaalde eigenschappen heeft. Maar de vraag waar het om gaat is: bestaat er iets dat de eigenschappen heeft, die we aan God toeschrijven?

En?

Dit klinkt logisch. Maar is het een doorslaggevend argument tegen het beroemde ontologische godsbewijs? Sommigen zeggen van wel. Anderen zeggen: misschien is God wel juist de uitzondering op de stelregel dat bestaan geen eigenschap is. Wat denk jij?

Binnenkort behandelen we een ander godsbewijs: het kosmologische argument.

Revolutionaire filosofie (Kant), met dank aan de paus

Een brief van de paus

Op een goeie dag ontving de beroemde wetenschapper Nicholas Copernicus een brief van Paus Leo X. (dat was in het jaar 1514). Het ging over de kalender, want die klopte niet. Over de jaren was men er achter gekomen dat er niet precies 365,25 dagen in een jaar zaten, zoals altijd gedacht werd, maar ietsje minder. De vraag was alleen: hoeveel minder?

Paus Leo X wilde weten hoe dit zat, want als het zo doorging zou kerst nog eens in de zomer gaan vallen en dat kon niet de bedoeling zijn. Hij schreef een brief naar de meest vooraanstaande astrologen uit de tijd om hun oplossingen te horen, en zo kreeg Copernicus z’n brief.

Astroloog Copernicus/ gesprekken met God, Jan Matejkos, laat 19e eeuw

Astroloog Copernicus/ gesprekken met God, Jan Matejkos, laat 19e eeuw

We weten niet of en wat Copernicus terugschreef, maar wel dat de vraag hem triggerde. Het probleem was dat het bijna onmogelijk leek om het precieze gedrag van de zon, de maan en de aarde te berekenen.

Copernicus’ collega’s waren al druk in de weer met allerlei oplossingen. De beweging van de hemellichamen werden verkeerd berekend. Of de kerk was slordig geweest in z’n wiskunde.

Een Copernicusje doen

Maar Copernicus werd beroemd omdat hij een oplossing bedacht die wél werkte. De aarde draait om de zon en niet andersom. Hij had gewoon eens lopen schetsen en piekeren. Als gedachte-experiment vroeg hij zich af: wat als ik op de zon zou staan en dan het probleem moest oplossen? Wat bleek? Vanaf de zon was alles opeens duidelijk te begrijpen.

De beroemde filosoof Immanuel Kant raakte geïnspireerd door dit verhaal – ook hij zat vast in een probleem. Kant was bezig met de vraag: hoe kan het dat ik in staat ben om zekere kennis op te doen van een buitenwereld die chaotisch is? Toen hij er maar niet uitkwam, dacht hij: ik moet een Copernicusje doen. Wat valt er om te draaien?

Immanuel Kant’s oplossing was van eenzelfde soort impact. Zekere kennis, stelde hij, komt niet allereerst voort uit de buitenwereld, maar wordt gemaakt door ons denken. Een moeilijk te begrijpen, misschien zelfs wat onwaarschijnlijke oplossing. Maar wel eentje die werkte.

Chocola

En vanaf die tijd stond de wereld, letterlijk, op z’n kop. Sinds Copernicus bleek de aarde met een noodgang door het heelal te zweven, maar nu sinds Kant bleek dat tijd en ruimte niet in de buitenwereld bestaan, maar alleen in ons denken. Ons denken plakt die begrippen op de brij van informatie die we elke dag binnenkrijgen, om er chocola van te maken.

Toen Copernicus’ theorie bekend werd had hij de poppen aan het dansen. Dit was niet de bedoeling van de onderneming! Z’n leven lang heeft hij dan ook zijn oplossing gepresenteerd zoals hij erbij gekomen was. Als een gedachte-experiment. Als dit het geval zou zijn, dan begrijpen we wel hoe we voorkomen dat kerst in de zomer valt. Je kunt het er niet mee eens zijn, maar het werkt wel.

Meer:

Lees filosofie.nl over Kant hier.
Of bekijk een filmpje van omroep Human: