Geld als religie

Boodschappen op zondag en geld als religie

Een oude schoolvriend van mij noemt zichzelf met trots ‘zeer principieel’. Het is een fantastische vent met wie ik heerlijk kan sparren maar hij in dit soort opzichten is hij bijna het tegenovergestelde van wat ik ben.

Eén van zijn onwrikbare principes is dat je geen boodschappen moet doen op zondag. Volgens mij vindt hij dat je op zondag überhaupt nergens geld aan mag uitgeven. ‘Waarom niet?’ vraag ik dan. Hij zegt dan: ‘dat zijn principes, Gerko.’ En principes, zo insinueert hij, hoeven geen antwoord te geven op de waarom-vraag. Ze zijn gewoon zo en ze zijn goed. Vaak al generaties lang.

Veel mensen zouden dit een absurd idee vinden. Waarom houd je je aan een regel waarvoor je niet eens een reden kan geven? Maar ik waardeer mijn vriend erg en vind het vooral interessant om te weten hoe hij over dit soort dingen nadenkt.

Overigens gelden zijn principes niet alleen voor hemzelf. Ze gelden (vindt hij) ook voor mij. Als ik hem bel, net als ik op zondag in een winkel of een museum ben, krijg ik er een opmerking over. ‘Op zondag dus gewoon he?’ zegt hij dan. ‘Ja’ antwoord ik. Aan de andere kant van de lijn schudt hij z’n hoofd. En daar blijft het bij.

Het wordt nog fascinerender. Want:

deze jongen overtreedt met grote regelmaat z’n eigen principe.

Ik ben er ondertussen niet meer verbaasd over, maar hij is regelmatig zelf in een winkel te vinden op zondag. Of hij is naar het zwembad geweest. ‘Op zondag gewoon?’ vraag ik dan over de telefoon. ‘Ja, ik weet het’, zegt hij dan. En daar blijft het bij.

Flinterdun, noem ik zijn principes. Maar dat is hij niet met me eens. Ondanks dat hij zijn regel overtreedt, vindt hij namelijk nog even stellig dat je op zondag geen boodschappen moet doen.

En dat vind ik het meest fascinerend: deze vriend van me lijkt geen enkel probleem te hebben om de volgende twee uitspraken in zichzelf te verzoenen:

  • ‘Ik ben zeer principieel: op zondag doe je geen boodschappen’
  • ‘Ik moet vandaag tóch even een boodschap doen (net als vorige week)’

Misschien ken jij ook zo iemand. Ik ben wel benieuwd eigenlijk – laat het me weten in de comments. Werkt het bij die persoon net zo?

Dat vraag ik me af: hoe dan?

Maar mijn vriend lijkt m’n vraag niet te begrijpen. Waarom zou het feit dat hij zijn eigen principes overtreedt moeten betekenen dat hij niet écht vindt dat je op zondag geen boodschappen zou moeten doen?

Ik leer veel van deze oude schoolvriend. En onlangs las ik iets bij de filosoof Zizek wat me hielp om te begrijpen wat hier gebeurt. Volgens hem is dit de hamvraag:

Beoordeel je iemands overtuigingen op basis van wat hij zegt te geloven, of wat hij doet?

  • Iemand zegt: ik ben tegen boodschappen doen op zondag
  • Iemand doet: boodschappen op zondag.

Ik zou zeggen: op basis van het feit dat je niet doet wat je zegt, concludeer ik dat je helemaal niet vindt dat je op zondag geen boodschappen zou moeten doen. Dat je principes flinterdun zijn. Maar deze vriend beoordeelt zijn eigen overtuiging niet vanuit dat perspectief. Hij kijkt slechts naar wat hij vindt, niet naar wat hij doet.

Wat zou jij vinden?

Beoordeel je iemands overtuiging op basis van wat hij zegt of wat hij doet?

Ik heb gemerkt dat verschillende mensen hier verschillend over denken. En in die zin is mijn vriend minder vreemd dan ik eerst dacht.

Sterker nog, diezelfde filosoof Slavoj Žižek deed me inzien dat ik zelf vaak precies zo in elkaar steek als die vriend van mij. En jij waarschijnlijk ook. Het is een trekje van ‘postmoderne mensen’:

We doen allemaal iets anders dan we zeggen te geloven

Niet op het niveau van zondagse boodschappen, zegt Zizek, maar op het niveau van onze ideologische overtuigingen. De manier waarop we naar de wereld kijken. Wat zouden veel mensen zeggen, vandaag de dag, als je ze vraagt naar hun ideologische overtuiging? Steeds meer mensen zeggen: ‘ik heb geen ideologische overtuiging’. Ik geloof in niks.

Dat zéggen ze.

Maar is dat ook wat ze doen, vraagt Slavoj Žižek. Volgens hem niet.

Stel dat toekomstige geschiedkundigen over 500 jaar onze tijd zouden beschrijven. Zouden ze dan zeggen dat we in niks geloofden? Of zouden ze zich vooral verbazen over de dingen waar we wel degelijk in geloven. Schoonheidsidealen. Het ideale carriere pad. De prins op het witte paard. Bekijk maar eens een willekeurige facebookpagina en je weet waar mensen in geloven.

En dan hebben we het nog niet eens over geld.

Zouden historici over 500 jaar geld niet beschouwen als onze belangrijkste religie?

Wacht. Geloven in geld, dat is toch niet hetzelfde als geloven in een godsdienst?

Nee misschien niet. Maar waarom eigenlijk niet? Geld functioneert bij de gratie van ons geloof erin. Geld verbroedert mensen (we kunnen met iedereen handel drijven). Geld is waar we onze zekerheid vandaan halen. Het is waar we niet zonder kunnen. Geld is één van de grootste veroorzakers van angst en (tijdelijk) geluk. Ons leven draait om geld, we bouwen ons leven op vanuit het perspectief van geld. We putten hoop uit geld. We investeren in de groei van ons kapitaal.

Ruil het woord ‘geld’ maar in voor ‘God’. Is dat niet hoe we vaak vroegere culturen beschrijven?

Slavoj Žižek is niet de enige die dit punt maakt. De immens populaire schrijver Yuval Harari schakelt in het boek Sapiens moeiteloos over van ‘geloven in God’ naar ‘geloven in geld’. Beide noemt hij ‘ficties’. Maar dan wel ficties die mensen elkaar doen vertrouwen en zin geven aan het leven. Geld is de belangrijkste fictie van vandaag de dag.

Maar eigenlijk is het niet eens van belang of we het met Harari eens zijn of niet. Het maakt niet uit of we zeggen dat we in geld geloven – we handelen namelijk allang alsof dat zo is. We zijn allemaal als die oude schoolvriend van me.

  • We zeggen: ik geloof nergens in (en al helemaal niet dat geld mijn God is)
  • We handelen ondertussen alsof ons leven in het teken staat van geld

Maar wat is dan onze overtuiging?

Gaan we uit van wat we zeggen te vinden, of gaan we uit van wat we doen?

Ik heb partij gekozen.

Als mijn vriend z’n eigen principes continu overtreedt, dan vind ik ze flinterdun. Non-existent, wat mij betreft. Principes die je niet naleeft, daar heeft niemand wat aan, volgens mij.

Maar dan beoordeel ik mezelf en vele andere postmoderne generatiegenoten net zo. Geld is wel degelijk een religie. Dat blijkt uit ons handelen. Sterker nog, geld-als-religie komt akelig in de buurt van de religie die ik het meeste aanhang.

Hoe ik mijn zoontje leerde zondigen (en hoe het verder moet met hem)

Hoe ik mijn zoontje leerde zondigen (en hoe het verder moet met hem)

In onze kamer staat een blauwe kast. Je kunt er zo’n beetje doorheen kijken, omdat-ie voor een groot gedeelte uit glas bestaat. Een vliegenkast – zo heet dat. Geen idee waarom. Het is een mooie kast, maar hij is ook een beetje fragiel. Als je te hard met de deuren slaat, dan trilt het glas in z’n voegen.

Dat weet mijn zoontje ook. Hij is bijna 1, heet Elon en kruipt als een malle. Als ik net even de kamer uitloop, ziet hij zijn kans schoon. Vliegensvlug kruipt hij naar de vliegenkast. Hij hijst zich op aan de witte knoppen, aarzelt niet en begint wild tegen het glaswerk te slaan. Met twee vlakke handen. Zo hard en snel mogelijk – want hij weet dat het dan niet lang duurt voordat ik terugkom om er een stokje voor te steken.

Superfascinerend natuurlijk, zo’n kast, als je bijna 1 bent. Bij toeval was hij erachter gekomen dat de vliegenkast een fascinerende bak herrie maakte. Vandaag een paar weken geleden.

Nog veel fascinerender is dat slaan op de vliegenkast een directe reactie uitlokt van ouders. Ik denk dat m’n zoontje dat nog veel toffer vindt. Als hij in de box moet en hij heeft er geen trek in, dan kan hij schreeuwen wat hij wil, maar het wordt niet anders. Maar als je één keer hard op die vliegenkast slaat dan heb je beide ouders direct in je buurt. Wauw!

En hoe dat mijn schuld was.
M’n zoontje weet dat het niet mag.
Maar dat maakt het juist zo leuk om op de kast te slaan.
Elon is zondig.
En dat is mijn schuld.

‘Ik ben me door de wet bewust geworden van de zonde’ zou de bijbelschrijver Paulus zeggen. ‘Ik zou immers niet weten wat begeerte was als de wet niet zei: ‘Zet uw zinnen niet op wat van een ander is’.’ Ik ben zondig – de wet maakt me zondig.

Net als bij Elon. Het verbod (niet slaan op de kast!) schept het verlangen. Als het mij niets kon schelen dat hij op de kast sloeg, dan was hij er allang mee opgehouden. Maar ja, het kan me wel iets schelen. Het is een toffe kast, en het glas is dun.

Het probleem van regels stellen
De bijbelschrijver Paulus is één van de meest gelezen denkers in de postmoderne filosofie. Misschien geloof je dat niet, maar het is echt zo. Er is een dominante niet-christelijke denkstroom die helemaal fan zijn van Paulus, en dan specifiek over zijn gedachten over de wet (Romeinen 7).

Wetten, verboden en (impliciete en expliciete) regels roepen altijd een paradox op:

  • Het laat je weten wat niet mag
  • Het creëert het verlangen om dat nou juist wel te doen

Wie tegen een kind zegt dat-ie echt niet in die doos mag kijken, kan uittekenen wat er gebeurt. Wie tegen z’n dochter zegt dat ze echt niet met iemand naar bed mag, loopt precies dat risico.

Wie een boom plaatst in een paradijstuin, met een bordje erop ‘niet van eten’ kan op z’n vingers natellen dat iemand er wel van gaat eten. De verboden boom is oneindig veel interessanter dan al die andere bomen. Het verbod creëert het verlangen naar de verboden vrucht.

  • Hey, daar hangt een lekkere vrucht!
  • Helaas, je mag ‘m niet eten.
  • Maar nu lijkt de vrucht nóg lekkerder

We hebben er allemaal last van
We projecteren dit mechanisme makkelijk op kinderen, maar de reden waarom Paulus en de postmoderne denkers dit zo interessant vinden, is dat we er allemaal last van hebben.

‘Ik wil het goede doen, maar ik doe het niet’, verzucht Paulus.

Kinderen hebben daar last van, maar volwassenen net zo goed. Volwassenen weten dat roken niet goed is, dat vet eten en te veel alcohol niet goed is. En ze weten ook waarom. Zij weten ook dat goedkope kleding, iphones en een boel meer een duistere (productie)kant hebben. Maar ze ze handelen doorgaans anders.

Wij, volwassenen, willen het goede doen, maar we doen het niet. Om allerlei redenen die we onszelf vertellen. Voor de iPhone maken we een uitzondering. En ook voor de H&M. En voor deze ene sigaret. Nee, deze voorbeelden zijn niet officieel verboden, maar zo voelt het vaak wel. Ga maar na hoe je twijfelt over de aanschaf van een nieuwe telefoon. Het lijkt net alsof er wel degelijk een verbod is dat je belemmert. Een verbod door onszelf, of door onze sociale groep (onuitgesproken) opgelegd.

Meestal ga je toch overstag. Je maakt de uitzondering. Maar je weet ook: na deze iPhone komt de volgende, en er komt een volgende sigaret. En die volgende is beter. We maken opnieuw een uitzondering. Dit keer voor iets dat écht tof is. Etcetera.

Hoe moet het verder?
Dat is natuurlijk ook Paulus’ vraag. Hij meent ook een oplossing te hebben, maar die is best lastig te destilleren. Paulus geef Jezus een sleutelrol, die er op de één of andere manier voor heeft gezorgd dat de wet buiten werking wordt gesteld. Jezus heeft de wet niet ongedaan gemaakt, maar vervuld. De wet is nu niet irrelevant, maar niet meer nodig. Zoiets. Best ingewikkeld eigenlijk als je er zo bij stil staat.

Een van de postmoderne filosofen, Slavoj Žižek, begint met een makkelijker punt. Hij zegt: laten we nog even teruggaan naar de paradox van de wet. Want die heeft een aanvulling nodig. De wet schept niet alleen een verlangen, maar tegelijk ook een illusie:

  • Hey, daar hangt een lekkere vrucht!
  • Helaas, je mag ‘m niet eten.
  • Maar nu lijkt de vrucht nóg lekkerder ⇐ illusie!

Op de kast slaan is niet zo cool als Elon denkt. Die ene sigaret is niet zo lekker als wij denken. De iPhone is niet zo tof als dat we onszelf vertellen – de volgende is weer toffer. Waarom wil Elon op de kast slaan? Omdat het cool is maar vooral omdat het verboden is. Als het verbod vervalt, komt Elon erachter dat het zo tof ook weer niet is. Elon’s motivatie zit ‘m vooral in het verbod. Het verbod schept de illusie dat het verbodene supercool is. Maar dat is het niet.

Als we inzien dat wat we najagen een illusie is, zegt Slavoj Žižek, dan lost het verlangen naar het verbodene op. Anders gezegd: als we de illusie van de wet zien, dan ontdekken we dat de dingen die we najagen echt zo tof niet zijn. Wel tof, maar niet zó tof. Elon ziet dat nog niet in – het is de vraag of volwassen mensen het wel kunnen. En daarom is er Jezus, zegt Slavoj Žižek.

Of Jezus bevrijdt
Wel tof, maar niet zó tof. Met dit mechanisme legt Slavoj Žižeks uit hoe hij denkt dat Jezus de wet heeft opgeheven. Het is een onorthodoxe verklaring, maar hij geeft te denken. En het is een interessante manier om te zien hoe postmoderne filosofen Paulus lezen.

Komtie:

Een iPhone, sigaretten, vreemdgaan – wij mensen blijven altijd verlangen naar dingen die eigenlijk niet mogen. Niet van de wet, niet van anderen of niet van onszelf. Als Elon uitgekeken is op de vliegenkast, vindt hij weer iets anders dat hij niet mag maar wel héél graag wil.

En voor elk object van ons verlangen geldt: het is gebaseerd op een illusie. De sigaret, de iPhone en al die dingen meer: ze zijn niet zo tof als we denken. Ze stillen ons verlangen nooit helemaal. We blijven altijd weer op zoek naar iets anders.

Een oneindige keten van verlangens. Steeds verder, steeds toffer. Wat gaat ons hieruit bevrijden?

Zizek zegt: Jezus.
Want Jezus is God.
En God is het ultieme object van ons verlangen.

Als er iets is dat ons verlangen kan stillen – dan is het God. Ultiem stillen. ‘Onrustig is mijn hart, tot het rust vindt in u’ zegt Augustinus. God als de ultieme verlangenstiller. God als sluitstuk van ons zoeken naar vervulling.

God is zelf een illusie
Maar stel nou dat het ultieme object, (God dus) een illusie blijkt te zijn. De ultieme verlangenstiller, bestaat niet. Zou dan niet het hele bouwwerk, de hele keten van illusies in elkaar storten? Zou dat niet het einde van het verlangen zijn? Zou dat niet dé manier zijn om in te zien dat wij mensen, illusies najagen?

En precies dat, stelt Slavoj Žižeks is wat er gebeurt in het Nieuwe Testament van de bijbel. God wordt mens. De God waarvan niemand in het jodendom een beeld mocht maken. Hij loopt ineens onder de mensen rond – hij luistert naar de naam Jezus. En dan wordt hij, net als al zijn profetische voorgangers, gevangen genomen, veroordeeld en ter dood gebracht.

Daar hangt hij, God, aan een kruis. In de persoon van Jezus. Als hij bijna sterft, dan schreeuwt hij het uit. En dan sterft hij echt. Het onvoorstelbare gebeurt. God is dood.

Wij kennen dit verhaal, maar eigenlijk is het natuurlijk bizar. Een God die sterft, dat is het laatste wat je verwacht dat God zou doen. Wat je verwacht van God is dat hij (op het laatste moment misschien) van het kruis afstapt. Maar nee. In plaats daarvan schreeuwt hij het uit: ‘mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Heel symbolisch: als Jezus sterft, scheurt het voorhangsel in de tempel. Het doek dat God afschermde van de mensen. Iedereen in de tempel kan opeens rechtstreeks de heiligste plek van Jeruzalem inkijken. Wat zien ze? De ruimte is leeg.

God als illusie – het klinkt tamelijk onchristelijk. Het klinkt als Friedrich Nietzsche. Maar volgens mij heeft Slavoj Žižek een paar interessante thema’s te pakken.

  • Van die ene sigaret kun je teveel verwachten (of van de nieuwste iPhone) – zou je ook teveel van God kunnen verwachten?
  • Is het idee dat God niet doet wat mensen denken dat hij doet – en niet is wat mensen denken dat hij is, wel zo onchristelijk als het klinkt? De ongrijpbaarheid van God is een terugkerend thema in het oude testament.

Liefde
En er is nog een laatste punt dat Slavoj Žižek maakt. En daar zit de oplossing in voor Elon, jouw en mijn probleem met de wet, volgens Slavoj Žižek.

Als de God-van-de-wet sterft, komt er ruimte voor de God-van-de-liefde. En als er iets is dat tegenovergesteld is aan de wet, dan is het de liefde. Slavoj Žižek somt op:

  • De wet verbiedt, maar de liefde moedigt aan. ‘Heb uw naaste lief’.
  • De wet schept verlangen, dat door iets perfects vervuld moet worden
  • Maar de liefde kan doen verlangen naar iemand ondanks (of juist dankzij!) imperfectie.
  • Kun je houden van iemand die perfect is?
  • Kun je houden van een God die perfect is (de God-van-de-wet)? De God die het ultieme, perfecte object van verlangen is?
  • Of kun je eerder houden van een God die niet perfect is – eentje die hangt aan een kruis en zijn onvermogen uitschreeuwt?

Wilde ideeën
Ja,Slavoj Žižeks bijbelinterpretatie is tamelijk onorthodox. Ik vind het fascinerend, hoewel ik zelf nog niet altijd goed weet wat ik ermee aan moet. In mijn boek ‘Ongeneeslijk Religieus’ sta ik stil bij deze theorie van Slavoj Žižek en een aantal anderen denkers. Daar zoek ik ook verder naar of je iets kunt met deze theorie.

Eén ding weet ik wel.
Wat Zizek over God zegt, dat zou ik maar al te graag op mij en Elon betrekken.

Uiteindelijk wil ik geen vader-van-de-wet zijn – maar een imperfecte, onvolmaakte vader-van-liefde.

Waarom ik ongeneeslijk religieus ben

(gedeelte uit mijn boek: www.ongeneeslijkreligieus.nl

Vlak voor mijn achttiende verjaardag ging ik op bezoek bij een professor. Bij hem thuis op de bank. Koffie met een koekje erbij. Hij ging naar dezelfde kerk als ik (zo kende ik hem) en ik wilde hem om raad vragen. Ik was bijna klaar op de middelbare school en ik zou gaan studeren. En de grote vraag was: waar? Met een aantal vrienden had ik vier plekken bezocht: Utrecht, Amsterdam, Kampen en Apeldoorn. In die laatste twee steden bestond de universiteit uit maar één faculteit: theologie. Avondenlang maakte ik lijstjes met voors en tegens per stad.

Ik ben opgegroeid in wat sommige mensen de ‘laatste zuil van Nederland’ noemen: de gereformeerd vrijgemaakte kerk. Ik ging naar een gereformeerd vrijgemaakte basisschool, een vrijgemaakte middelbare school en ik werkte in de zomer op een vrijgemaakte camping. Bij ons thuis werd de vrijgemaakte krant gelezen, ’s zondags ging ik twee keer naar de kerk, doordeweeks volgde ik catechisatie en ging ik naar de vrijgemaakte jongerenvereniging. Mijn vrienden waren allemaal vrijgemaakt, mijn familie was vrijgemaakt, mijn docenten waren vrijgemaakt en bij de verkiezingen stemde iedereen op de vrijgemaakte partij. Ik vroeg de professor: ‘Zou het niet goed voor mijn ontwikkeling zijn om ook eens andere plekken te zien?’

Een goed gereformeerde basis
Als je theologie gaat studeren, is er een dikke kans dat je dominee wordt. Zeker als je theologie gaat studeren in de vrijgemaakte kerk. Ook ik hield er rekening mee dat ik op een dag dominee zou worden. Maar, zo had ik bedacht, zou je nu juist van een dominee niet willen dat-ie iets meer weet van de wereld? Amsterdam leek me wel wat. De professor zei: ‘Niet verstandig. Ga naar Kampen, daar krijg je een goed gereformeerde basis. Pas daarna zou je naar Amsterdam kunnen.’

Ik had het natuurlijk kunnen weten. De professor werkte op die vrijgemaakte universiteit – natuurlijk zou hij me aanraden daarheen te gaan. Maar ik was vooral verbaasd. Ik was namelijk zelf allang overtuigd van mijn eigen argument dat het goed was om verder te kijken dan mijn eigen achtergrond. En ik kon me niet voorstellen dat hij het niet met me eens zou zijn. Natuurlijk moet je je ook buiten je eigen kaders begeven. Dat levert alleen maar voordelen op. Dacht ik. Hij dacht er anders over.

Ik besloot naar Amsterdam te gaan. Ik had alle voors en tegens op een rijtje gezet. Gewikt en gewogen. En uiteindelijk hakte ik de knoop door. ‘Daar moeten we het nog eens over hebben,’ zei een predikant die ik goed kende. Het is er nooit van gekomen. En er was een vrouw uit mijn kerk die zei: ‘Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen.’

Maar ik was daar niet bang voor. Ik was gepokt en gemazeld in de vrijgemaakte theologie en had me deze helemaal eigen gemaakt. Ik geloofde erin. Met alles erop en eraan. En ik twijfelde er niet aan dat een stevig geloof bestand zou zijn tegen een studie in Amsterdam. Ik begreep de voorzichtigheid ook niet. Alsof theologie studeren in Amsterdam een soort universeel recept is voor het kwijtraken van je geloof. Wie dat zegt, dacht ik altijd, heeft niet echt een hoge pet op van z’n eigen geloof. Wie dat zegt, vond ik, moet zich afvragen of-ie het zelf allemaal wel gelooft.

Investeren in mijn persoonlijk geloof
Wel had ik bedacht dat ik me goed moest voorbereiden. Geloofsverlies zou wel op de loer liggen in Amsterdam (of in andere steden dan Kampen). En dus moest ik naast studeren ook blijven investeren in mijn persoonlijk geloof. Als ik de hele dag op college wetenschappelijk met de Bijbel bezig was geweest, dan moest ik niet ‘s avonds op de bank niksdoen. Nee, dan moest ik ‘s avonds alsnog diezelfde Bijbel erbij pakken, maar dan voor een persoonlijke lezing. En voor gebed. Op die manier zou het mogelijk moeten zijn om én in Amsterdam te studeren én mijn geloof te behouden.

Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen. Ze bleek toch gelijk te hebben. Althans: het vastomlijnde geloof dat ik had aangehangen in mijn jeugd begon al snel te kraken in z’n voegen. Ik hoorde dingen op de universiteit die ik nog nooit had gehoord. Erger nog, ik hoorde dingen waarvan ik mezelf afvroeg: waarom heb ik mezelf dit nooit afgevraagd?

‘Leg de twee stambomen van Jezus maar eens naast elkaar’, zei een docent. ‘Ze komen voor een belangrijk deel niet overeen.’[1] En ik dacht: hoe bestaat het. Hoe bestaat het dat ik nooit eerder heb bedacht dat je die twee kunt vergelijken? Waarom is dit in al die uren Bijbelstudie in mijn leven nooit voorbij gekomen? Hoe kan het dat die manier van Bijbellezen zo nieuw voor me is?

Ik ging in korte tijd van absolute zekerheden over naar absolute twijfel. Na een jaar was ik definitief de weg kwijt. Ik kon de schijn nog een tijdje ophouden voor mezelf. Het ging goed met me, ik vond studeren leuk. Razend interessant zelfs. Maar de impact van alles wat ik leerde boorde zich dwars door me heen. En hoe langer dat duurde, hoe meer ik inzag dat veel overtuigingen van vroeger één voor één op de helling kwamen te staan.

Reddeloos verloren?
Ik weet niet zeker of ik definitief mijn geloof verloor. Op sommige momenten wist ik zeker van wel. Soms nu nog wel. Maar ik heb het nooit zo uitgesproken: ‘ik geloof niet.’ Dat heb ik nooit gewild ook. Maar voor de achterblijvers uit mijn jeugd is het waarschijnlijk een uitgemaakte zaak. Veel van wat ik vroeger geloofde, geloof ik nu echt niet meer. Ten opzichte van mijn achtergrond ben ik reddeloos verloren. In mijn jeugd heette dit ‘het hellende vlak’. Als je eenmaal aan één ding begint te twijfelen, ga je op den duur aan alles twijfelen. Als je niet meer gelooft in een zesdaagse schepping, of Jona in de walvis, wat houd je dan nog over? Een drogreden, leerde ik later. Maar de vlieger ging wel op in mijn geval.

En toch. Hoe minder ik ben gaan geloven, hoe minder ik het kan loslaten. Dat zie ik ook bij anderen om me heen. Meestal niet op een directe manier. Niet dat ik nachtenlang lig te malen over wat waar is. Of dat ik elke zondagochtend denk dat ik in de kerk zou moeten zijn. Maar wel op deze manier: dat ik bovenmatig geërgerd kan zijn over streng religieus gedachtegoed. Of de collectieve gêne die ik voel als een gesprek met mijn (veelal ex-christelijke) vrienden soms raakt aan christelijke thema’s. Dat ik geïrriteerd word van christelijke liedjes uit mijn jeugd. Ik heb een hekel aan christelijke liederen zingen. Alles in mij verzet zich ertegen.

Maar ook op een positieve manier: ik vind theologie nog steeds interessant. Op vakantie lees ik boeken over God. Soms moeilijke theologie. Ik vind het belangrijk om geloven niet af te doen als iets achterlijks. Ook niet als het over de islam gaat (ik geef er veel cursussen over). En ik erger me aan mensen die zich te overduidelijk afzetten tegen hun christelijke achtergrond. Het is duidelijk. Ik ben ongeneeslijk religieus.

Afscheid van het vertrouwde
Sommige mensen zeggen: dat ongeneeslijk-religieus-zijn is het loskomen van het geïndoctrineerde systeem uit je jeugd. Als je je leven lang gebrainwasht bent in een bepaalde manier van denken, dan kost het heel veel tijd om er vanaf te komen. Je raakt het nooit helemaal kwijt. Arme jij. Dat vind ik sterk overdreven, zo heb ik dat nooit beleefd. Maar ik ken genoeg mensen voor wie het echt zo voelt. Mensen die hun geloofsopvoeding (licht) traumatisch noemen.

Natuurlijk, ook voor mij geldt dat de verwerking van mijn jeugd me ‘ongeneeslijk religieus’ maakt. Logisch, want je geloof kwijtraken is een verlieservaring. Er is sprake van rouw. Mijn vroegere geloofsopvattingen hoorden bij mij. Ik hield ervan. En nu ben ik ze kwijt. Je kunt het ook coming of age noemen. Je wordt volwassen. De kindertijd is voorbij. Je neemt afscheid van alles wat oud en vertrouwd is. En ik moet me natuurlijk ook verhouden tot mijn vroegere zelf. Tot mijn vroegere achtergrond, waar mijn ouders nog steeds deel van uitmaken.

[…]

Ooit volgde ik een college filosofie bij professor Van Woudenberg. Het ging over beliefs: overtuigingen van allerlei aard. Niet per se religieuze overtuigingen, maar ook politieke of maatschappelijke overtuigingen. Bijvoorbeeld de overtuiging dat het niet goed is om je kind in te enten.[2] De vraag tijdens het college was: hebben deze mensen zelf gekozen voor de overtuiging dat ze hun kind niet moeten inenten?

Natuurlijk! is dan de eerste gedachte. Zeker bij zo’n belangrijke overtuiging. Je gaat er niet van uit dat iemand op een dag wakker is geworden en dacht: hé, ik vind inenten opeens onzin. Nee, iemand heeft nadrukkelijk een keuze gemaakt. Een heel bewuste keuze, en eentje met een heleboel mogelijke consequenties.

Maar werken overtuigingen wel zo? vroeg Van Woudenberg zich af. Kan ik er bijvoorbeeld nu voor kiezen om inenten onzin te vinden? Probeer het eens. Nu. Hier. ‘Ik ben nu écht tegen inenten.’ Lukt het? Mij niet. Ik kan wel doen alsof ik inenten niet belangrijk vind, maar ondertussen vind ik het wel belangrijk.

Geloven is geen keuze
Probeer het met een onschuldiger voorbeeld: kan ik nu besluiten dat ik geloof dat de maan van kaas is? Zo van: ik geloof vanaf nu volledig dat datgene wat we de maan noemen, geen brok van steen is, maar een enorme homp kaas. Van koeienmelk. Kun je daarvoor kiezen? Nee. Want ook al probeer je het, je gelooft dat gewoon niet.

Eigenlijk geldt dat voor alle overtuigingen. Ik kan niet ineens besluiten om een andere politieke oriëntatie te hebben dan ik heb. Ik kan niet kiezen vandaag ook maar eens te geloven dat de maanlanding nep was. Waarom niet? Nou, om te beginnen om deze reden: ik geloof dat niet. Ik geloof wat ik geloof, en ik ben daar (blijkbaar) niet zomaar van af te brengen.

Gek eigenlijk. Want dat lijkt niet te rijmen met de manier waarop we omgaan met mensen die andere overtuigingen hebben dan wijzelf. Jij bent tegen inenten en ik vind daar wat van. Wat als jouw kind ziek wordt? Dan is het jouw schuld. Waarom? Omdat niet-inenten jouw overtuiging was. Blijkbaar houd ik jou verantwoordelijk voor die overtuiging. En als iemand denkt dat Amerikaanse machthebbers zelf de aanslag op 9/11 hebben veroorzaakt, dan vinden we daar iets van. We houden ze verantwoordelijk. Je gelooft in sprookjes, zeggen we dan. Stop daarmee. Geloof dat niet meer. Maar dat gaat dus niet.

Iemand kan niet opeens kiezen iets anders te geloven dan wat-ie gelooft. Jij kunt niet ineens geloven dat de maan van kaas is. En wie eenmaal gelooft dat 9/11 een complot was, kan niet op één moment kiezen iets anders te geloven.[3]

Verantwoordelijk voor wat je gelooft
Een vreemde patstelling. Het lijkt een beetje op mijn ervaring in Amsterdam. Kon ik wel kiezen om mijn geloof te behouden? In eerste instantie zou ik zeggen: ja. Dat had gekund. Als ik het wilde. Maar zo voelde het niet. Sterker nog: als ik zou proberen om wel gelovig te blijven, dan zou het onecht voelen. Het zou voelen dat ik wel zeg te geloven dat de maan van kaas is, maar daar ondertussen helemaal geen barst van geloof. Ja, ik kan wel zeggen dat ik in Jona in de walvis geloof, maar ik geloof daar helemaal geen snars van. Waarom niet? Nou ja, er zijn redenen voor. Maar het begint hier: omdat ik het niet geloof.

De volgende vraag is dan: als mensen niet kunnen kiezen waarin ze geloven, kunnen we mensen dan ook niet verantwoordelijk houden voor wat ze geloven? Zijn mensen volstrekt onschuldig wat betreft hun overtuigingen? Moeten we concluderen dat mensen er niks aan kunnen doen dat ze vinden dat inenten niet belangrijk is? Nee, natuurlijk niet.

Van Woudenberg stelt:[4] we houden mensen wel degelijk verantwoordelijk. Niet voor wat ze vinden, maar voor hoe ze tot hun overtuigingen zijn gekomen. Als mijn buurvrouw gelooft dat 9/11 een samenzwering was, dan werd ze niet op een dag wakker met die overtuiging. Nee, mijn buurvrouw is tot die overtuiging gekomen na diepgravend onderzoek. Ze heeft net zo lang allerlei samenzweerderige blogs gelezen, totdat ze overtuigd was. En we houden haar verantwoordelijk voor dat traject, niet zozeer voor de uitkomst.

Als een tante van mij tegen inenten is, dan is daar waarschijnlijk een proces van overwegen aan voorafgegaan. En bij dat overwegen heeft zo iemand de medische wetenschap minder hoog aangeslagen dan andere overwegingen. En dat proces vinden veel anderen laakbaar. De overweging die leidt tot een overtuiging, daar had iemand op moeten bijsturen. De overtuiging zelf is bijna een logisch gevolg van de overwegingen.

Anders gezegd: als je heel lang op het internet zoekt naar samenzweringstheorieën, dan wordt de kans veel groter dat je erin gaat geloven. Als je inderdaad de medische wetenschap gaat wantrouwen, dan is er een grote kans dat je op een dag tegen inenten bent. Die gevolgtrekking is relatief logisch. En dus zouden we iemand niet verantwoordelijk moeten houden voor de uitkomst, maar voor het proces dat eraan vooraf is gegaan.

Als een boemerang terug
Precies wat die vrouw uit de kerk tegen mij zei, toen ik overwoog in Amsterdam te gaan studeren. ‘Als je naar Amsterdam gaat, zul je je geloof verliezen.’ En precies waar die professor me voor waarschuwde. Zij zeiden al: je moet het proces niet willen aangaan. Het pad dat je gaat afleggen, riskeert heel sterk de verkeerde uitkomst. Een uitkomst die ik zelf, toen, op de bank bij die professor, niet eens zou willen.

Dan hadden ze toch gelijk. Ik had niet naar Amsterdam moeten gaan. Mijn argument dat het goed was om kennis te maken met andere ideeën kreeg ik als een boemerang terug. Want voor de duidelijkheid, daar op de bank bij de professor was ik absoluut niet van plan om mijn geloof kwijt te raken. Maar het gebeurde wel, precies zoals zij zeiden. En dus had ik, met terugwerkende kracht, niet naar Amsterdam moeten gaan. Een gekke conclusie. Hij zit me ook niet helemaal lekker. Maar ik weet niet goed waarom.

Ik word pessimist als ik later groot ben

Dromen van later
Mijn zoontje is 9 maanden oud. Op ouders van nu lees ik dat-ie dan begint met dromen. Geen idee hoe ze dat weten, maar misschien klopt het.

In ieder geval vroeg ik mij af: wat zou hij dromen?
En daarna dacht ik: ik hoop dat hij een goede dromer wordt.

Om een goede dromer te worden, weet ik uit ervaring, moet je pessimistisch zijn. Ik ben het zelf niet – pessimistisch. En dus ben ik geen goede dromer. Maar ik hoop dat m’n zoontje het dus wel wordt. Laat me uitleggen wat ik bedoel.

Dromen en dromen
Als we het hebben over ‘dromen’, dan gaat dat natuurlijk over iets wat je ‘s nachts overkomt. Maar praten over ‘dromen’ kan ook gaan over je ambities. Over later als je groot bent. ‘Ik droom ervan ooit een gevierd schrijver te zijn’, bijvoorbeeld. Of ‘ik droom ervan dat ik een groot gezin zal hebben’. Dat droom je niet letterlijk, het is meer iets waar je naartoe kunt werken of waar je op hoopt. Toekomstdromen.

Binnen die toekomstdromen, heb je dromen die volstrekt onmogelijk zijn en dromen die haalbaar zijn. Je kunt dromen van een fantastische bruiloft op een idyllisch strand. Leuke droom. En haalbaar. Je kunt dromen dat je met een prins trouwt. Dat is minder waarschijnlijk en nog steeds mogelijk.

Maar je kunt ook dromen dat je een kameel bent. Of dat idyllische eiland. Dat zijn onrealistische dromen en ze zijn ook onhaalbaar. Misschien wil mijn zoontje president van Amerika worden als hij later groot is. Dat is een mooie toekomstdroom. Maar omdat hij geen Amerikaans staatsburger is, helaas onhaalbaar.

Nog een onhaalbare droom: wereldvrede.

Wat wij goed kunnen dromen
Laatst was ik bij een praatje van Eric Mijnster (hier). Hij vertelde: als je het echt wil, dan kan alles. Alles! Dat had hij zelf zo meegemaakt. Ik dacht tijdens zijn praatje: hij bedoelt waarschijnlijk niet dat je zou kunnen vliegen als een vogel. Dat is namelijk onmogelijk. Hij bedoelt: als je het echt wil, en het is mogelijk, dan kan alles.

Dat is typisch voor mensen in onze tijd. We zijn mogelijkheidsdromers. We hebben het niet over onmogelijke dromen. Als Eric het over ‘dromen’ heeft, dan gaat hij ervan uit dat wij weten dat hij dan ‘mogelijke dromen’ bedoelt.

Onze wereld is ingericht op die haalbare dromen. De wetenschap vertelt ons meer en meer over hoe alles werkt, en steeds meer wetenschappers denken dan ook dat als je alles zou weten, dat je dan ook zou weten wat de toekomst is (determinisme).

Economen (en de meeste gewone mensen ook trouwens) speculeren op wat zij denken dat de toekomst is. Waarschijnlijk stijgt de rente de komende tijd. En zal de huizenmarktgekte afnemen. De voorspelbare, denkbare toekomst.

Maar is het leven wel zo voorspelbaar?

Make America Great Again!
In de afgelopen jaren waren ontstond er iets anders: het populisme. Er is een populistische president verkozen in Amerika en in Nederland is er veel discussie over populistische stromingen.

Trump riep: Make America great again! En in Nederland hoor je mensen dingen zeggen als Nederland weer van ons!, renaissance! en VOC mentaliteit!. Tegenstanders vinden het misplaatst sentiment.

Waar komt de kracht vandaan van het populistische denken? Misschien wel hieruit: het is een hoopvoller verhaal dan het verhaal van de status quo. (zie dit stuk in de Groene Amsterdammer).

Hillary (status quo) leek niet veel verder te komen dan America is great already! Misschien had ze daar gelijk in, maar het is niet een hoopvollere boodschap. Ook in Nederland wordt door heersende politici vaak benadrukt dat Nederland er eigenlijk helemaal niet zo slecht aan toe is. Best mogelijk, maar er spreekt minder ambitie uit.

Trump heeft meer hoop dan jij (en ik)
Het verhaal van veel populisten is misschien niet haalbaar, maar wel hoopvol. Of beter gezegd: het kon nog wel eens méér hoopvol zijn omdat het mínder haalbaar is.

Populisten, hopeloze mensen, pessimisten: het zijn betere dromers. Ze dromen dingen die veel grootser en onmogelijker zijn dan wat optimisten dromen.

Als veel van die pessimisten naar de toekomst kijken, dan valt het ze tegen. Minderbedeelden hebben hetzelfde. En precies dat stelt ze in staat om te doen waar optimisten minder goed in zijn. Pessimisten staren zich niet blind op het mogelijke, zij hopen (misschien tegen beter weten in!) op het onmogelijke.

Dom
Vaak klinkt dat dom. Het is dom om te dromen dat je ooit kan vliegen als een vogel. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat het gewoonweg niet kan.

Maar er waren ook goede redenen om aan te nemen dat Donald Trump nooit president zou worden. En toch gebeurde het. Economen hadden hele goede redenen om te denken dat er nooit een crisis zou komen. En voilá, het gebeurde.

Kijk eens naar de wereld om je heen. Zoals je hier nu zit, met je smartphone, je laptop of wat dan ook. En naar het werk dat je doet. Wie had dertig jaar geleden kunnen voorspellen dat de wereld er zo uit zou zien? Niemand. Volstrekt onrealistisch, onwaarschijnlijk, praktisch onmogelijk. En toch gebeurde het.

Hopelijk wordt m’n kind later pessimist
Wat hoop ik voor m’n kind? Dat zijn dromen uit zullen komen? Dat zou opzich leuk zijn natuurlijk. Hoewel. Liever hoop ik iets onwaarschijnlijks: dat-ie gelukkig wordt. Dat hem geen leed zou treffen en dat hij in een wereld leeft waarin vrede heerst. Onhaalbaar. Mooie droom.

Of ik hoop dit: dat hij in z’n leven niet uit zal gaan van alles wat haalbaar is en mogelijk, maar dat hij verder kijkt dan dat. Misschien hoop ik zelfs dat het hem om die reden niet teveel voor de wind zal gaan, want daardoor kan hij vast komt te zitten in een wereld die z’n dromen beperkt tot alleen mogelijke dromen.

Een leven waarin de toekomst er niet florissant uitziet, juist omdat hij dan grootser kan hopen. Een vleugje meer pessimisme dan dat ik heb, zodat hij grootser kan dromen. Dat hij hoop heeft op iets groters, iets onmogelijkers. Dat hij verder kan kijken. Dat hij bergen kan verzetten en nieuwe wegen kan vinden.

Wat een mooie droom. Je zou er pessimistisch van worden.

Bij het programma de Nachtzoen probeerde ik dezelfde gedachte uit te werken:

Jordan Peterson: kun je de waarheid liegen?

Dit stuk kwam tot stand in reactie op een verhaal met als titel ‘ik ben dus enthousiast over Jordan Peterson, en wel hierom’. De schrijver, Otto Kamsteeg, vraagt zich in het stuk af waarom Jordan Peterson zulke extreme reacties oproept. Goeie vraag. Ik doe graag een duit in het zakje. Niet omdat ik alles weet van Jordan Peterson, ook niet omdat ik vind dat ik partij moet kiezen, maar wel omdat ik de kritiek op Jordan Peterson goed begrijp. En volgens mij is het de moeite waard om die kritiek serieus te nemen.

Eerst: mijn godsdienstdocent
We kennen ze allemaal: mensen die altijd gelijk hebben. Niet alleen in hun eigen ogen, maar ook als je met ze in gesprek gaat. Ze hebben hun argumenten op een rijtje en kunnen het helder verwoorden. Hun gesprekspartners blijven achter met een machteloos gevoel.

Mijn godsdienstdocent op de middelbare school was zo iemand. Hij had overal een antwoord op. Per leerjaar steeg de opgekropte frustratie bij zijn leerlingen maar de docent had altijd een woordje klaar. Ik ken veel mensen die zeggen dat hun vader ook zo iemand is. Of hun opa. Jehova’s getuigen aan de deur. Het zijn vaak mannen, heb ik de indruk. Vader-figuren.

Deze mensen geloven of vinden iets wat ze fantastisch kunnen onderbouwen. En toch is er frustratie en machteloosheid. Waarom? Omdat je het idee blijft hebben dat er toch iets niet in de haak is. Maar ja, je kunt je vinger er niet opleggen, laat staan het helder verwoorden.

Ik denk dat Jordan Peterson zo’n vader-figuur is. Het is een vriendelijke vent (de helft van Otto’s pluspunten gaan over hoe sympathiek hij is). Hij kan zijn standpunt glashelder verwoorden. En toch blijf je met iets achter. Maar wat?

Waarom zo heftig?
Waarom gaat het in het publieke debat over Jordan Peterson altijd over uitersten? Waarom zijn mensen of idolaat, of zeer zwaar tegen hem? Ik denk dat Jordan Peterson er zelf antwoord op geeft, in zijn college over het Oude Testament (fragment):

Dit fragment gaat over wat een ideologie is. Jordan Peterson vertelt hoe je iets kunt herkennen als een ideologie: aan de manier waarop mensen reageren als je er vragen bij stelt. Mensen worden witheet, stelt hij. Zo kwaad, dat je eigenlijk niet goed snapt wat er aan de hand is. Het is voer voor psychologen, zou je kunnen zeggen.

Nou heeft Jordan Peterson het in dit fragment over de ideologieën waar hij zich graag tegen verzet. (En dat verzetten doet hij behoorlijk fanatiek). Hij noemt ze exponenten van een ‘cultureel marxisme’ of van het feminisme. Social Justice Warriors. Ze verbergen zich achter wat in Amerika ‘identiteitspolitiek’ wordt genoemd.

Maar volgens mij kun je dit fragment ook prima toepassen op de volgelingen van Jordan Peterson zelf. Op verschillende plekken (bijvoorbeeld in dit stuk, dat volgens Otto naar azijn smaakt) wordt inderdaad uitvoerig geanalyseerd hoe polariserend een deel van de aanhangers van Jordan Peterson zich opstelt.

Natuurlijk is Jordan Peterson niet per se schuldig aan wat zijn aanhangers doen, maar het geeft wel iets aan: dat de onderwerpen die Jordan Peterson behandelt veel met ideologie te maken hebben. Mensen worden witheet. Ook zijn volgelingen dus.

Ok, ik ben wel een beetje fan van Jordan Peterson
Volgens is het ontmaskeren (of in kaart brengen) van ideologieën één van de belangrijkste filosofische uitdagingen in deze tijd. En Jordan Peterson doet dat voortreffelijk. En het grappige is dat hij daarin precies doet wat zijn tegenstanders doen (de culturele marxisten, waarvan Slavoj Žižek de bekendste is).

De postmoderne tijd, het tijdsvak waar we sinds de tweede wereldoorlog in leven, wordt vaak aangeduid als een tijd waarin we hebben afgerekend met ‘grote verhalen’ (zie mijn eerdere blog). We geloven nergens meer in en waarheid is compleet relatief geworden (iets dat inderdaad veel mensen zo zeggen).

Zowel Jordan Peterson als Slavoj Žižek verzetten zich tegen het idee van zo’n relatieve waarheid. Maar ze doen het op een andere manier. Het helpt om ze te onderscheiden. Jordan Peterson noemt dat postmoderne denken een afkeurenswaardige ideologie, die veel te dominant is geworden in bijvoorbeeld onderwijsinstellingen en in de (linkse) media.

Toch niet: wat er mis gaat
Slavoj Žižek legt hier uit welk probleem hij ziet bij Jordan Peterson, in een stuk dat vol zit met jargon en verwijzingen. Zijn punt gaat over Jordan Peterson in de rol van mijn godsdienstdocent.

Je hebt mensen die de waarheid spreken en je hebt mensen die de waarheid spreken maar daarmee (bewust of onbewust) een leugen verbergen. Dat iemand een rationele, wetenschappelijke benadering heeft en zich van een glasheldere argumentatie bedient, maakt niet dat hij per se dat hij gelijk heeft. Alleen is het moeilijker om dat te ontmaskeren (enter de godsdienstdocent).

Slavoj Žižek heeft het niet over de vraag of Jordan Peterson feitelijk gelijk heeft. Dat zal-ie best vaak hebben. Maar hij stelt een dieperliggend punt aan. Komtie:

De vraag is wat er gebeurt als je Peterson tegen Peterson gebruikt. Of anders gezegd: is Jordan Petersons theorie niet zelf een ideologie? Eentje waar mensen inderdaad witheet van kunnen worden als je er kritisch over bent. En eentje die weliswaar zeer aannemelijk klinkt, maar een ideologie is, naast alle andere (linkse) ideologieën.

Ik licht het graag nog een beetje extra toe.

Peterson gaat niet ver genoeg
Otto roemt Jordan Petersons realisme: zijn wereldbeeld is chaotisch, niet-per-se-vrolijk. Het leven is hard. De wereld zit vol shit. Jordan Peterson is realistisch.

Maar in de kern van zijn visie is Jordan Peterson eigenlijk heel optimistisch. 1. Hij is een fervent pleitbezorger van het streven naar ‘de waarheid’. Ook al zul je de hele waarheid misschien nooit kunnen vinden, zegt hij. 2. Zijn (controversiële) ideeën over chaos en orde, mannelijkheid en vrouwelijkheid komen voort uit zijn ideeën over een evolutionaire orde. 3. Hij roept ons op om niet bij de pakken neer te zitten maar onze rug te rechten.

Maar dat is ideologie. (1) Dat er waarheid is. (2) Dat er orde is. (3) En dat het goed is om je rug te rechten en ernaar te streven. En precies op dat punt lijkt Jordan  Peterson postmoderne denkers niet helemaal te begrijpen.

De filosofie van na de Verlichting is zich af gaan vragen hoe we eigenlijk zeker weten dat die orde er is. Hoe we zeker weten dat er inderdaad een rationeel te bevatten structuur in de wereld zit, waar je naar op zoek moet gaan. Precies dat is wat het postmoderne denken onderscheidt van het Verlichtingsdenken – een tijd waar Jordan Peterson naar terug lijkt te verlangen. En het is, denk ik, wat mijn generatie onderscheidt van mijn godsdienstleraar.

Voor de duidelijkheid: het zou rampzalig zijn, als er geen rationele orde en geen waarheid is. Ook daar gaat het postmoderne denken over. Veel mensen hopen vurig dat er wel een orde bestaat. Want als het niet bestaat, dan komen we dicht in de buurt van absolute zinloosheid. Nihilisme, zegt Jordan Peterson. Als er geen orde is, dan heeft lijden geen zijn. Heeft Auschwitz geen zin. Heeft het leven geen zin. Dat zou verschrikkelijk zijn (zie ook dit blog). Maar dat we graag een orde willen, is niet hetzelfde als weten dat die orde er is.

Jordan Peterson liegt de waarheid
Jordan Peterson is niet eerlijk, zou dit postmoderne denken kunnen zeggen. Hij gaat niet ver genoeg. Hij bekritiseert van alles, maar niet zijn eigen (ideologische) uitgangspunten. Hij laat geen ruimte voor twijfel aan zijn eigen rationele, intellectuele methode. Anders gezegd, hij is niet pessimistisch genoeg. Hij denkt dat de wereld in de kern een onderliggende orde heeft. Maar dat weten we niet.

Volgens Slavoj Žižek is Jordan Peterson iemand die de waarheid liegt*. Hij zegt wel ware dingen, maar bedekt daarmee (onbewust?) ondertussen een ‘leugen’. Namelijk de (onbewezen) ‘leugen’ dat er een orde is en dat je met rationaliteit en waarheid verder komt.

Precies daar komt Slavoj Žižeks (polemiserende) vergelijking met het nazisme vandaan. De Nazi’s gebruikten argumenten tegen die joden die best vaak waar konden zijn. Vergelijk het met populisten vandaag: een deel van wat ze zeggen is feitelijk waar. Over criminaliteitscijfers en problemen met mensen met een migratie-achtergrond. De statistieken spreken hen niet tegen.

Maar onder die waarheden, kan zomaar een leugen liggen. De leugen dat als we de joden uitschakelen, of de migranten weren, of feministen en social justice warriors het zwijgen opleggen, dat alles dan koek en ei is. En dat is maar zeer de vraag, zo zegt Slavoj Žižek. Ook je eigen ideologie moet onder de kritische loep.

Rug recht of rug krom
Het is interessant dat zowel Jordan Peterson als Slavoj Žižek veel christelijke thema’s gebruiken in hun theorieën (veel hedendaagse filosofen doen dat trouwens – ik schreef er een boek over!). Ze gaan er allebei een heel andere kanten mee op. Jordan Peterson ziet de bijbel als een boek dat je kan helpen om te kiezen hoe je moet handelen. Handelen zoals volgens zijn eigen 12 principes, waarvan ‘recht je rug’ er één is en ‘spreek de waarheid (of lieg tenminste niet)’ een ander.

In de filosofie van Slavoj Žižek vervult het bijbelse verhaal een andere rol. Hij ziet ze als verhalen die ons helpen te zien dat we in een wereld leven die geen betekenis en orde heeft. En dat God er soms met de handen in het haar bij staat. Of in ieder geval dat hij geen oplossingen aandraagt, geen antwoorden heeft en geen richtlijnen stelt. Geen godsdienstleraar-God. Hoogstens een God die mee-lijdt. Een God met een kromme rug.

*Slavoj Žižek noemt het een leugen, vanuit jargon uit de psychotherapie. Filosofisch kun je misschien beter spreken over een (onbewuste) onwaarheid.

Bronnen:

De filosoof Aristoteles

Context van Aristoteles

Tussen Socrates en Aristoteles staat Plato, ook een van de meest belangrijke filosofen aller tijden. Hij ging verder in het spoor van Socrates, maar deed dat door het oprichten van een school en door aan de hand van dialogen de zoektocht naar waarheid uit te schrijven. Deze vorm maakt het lastig om met zekerheid te zeggen wat Plato zelf vond. Aristoteles ging in de leer bij Plato maar als een goede verhouding tussen leerling en leermeester was hij in staat zijn eigen weg te gaan. Op een aantal fundamentele punten verschilt hij van mening met wat we denken over Plato te weten. Want Aristoteles stelt: “the truth and one’s friends” are loved but “it is a sacred thing to give the highest honor to the truth”.

Net als Socrates, heeft Aristoteles’ afkomst zijn methode beïnvloed. Zijn vader was arts, en dat kan verklaren waarom Aristoteles een hele concrete benadering van de filosofie heeft. Natuurlijk, hij gebruikt ook de rede als methode, maar waar zijn leermeester Plato de vraag naar waarheid antwoordde met abstracte concepten waarvan de dingen die we kunnen zien in de werkelijkheid zwakke aftreksels zijn, begint Aristoteles zijn zoektocht in de concrete dingen om hem heen. Hij verzamelde allerlei biologische gegevens van de wereld om hem heen, ordende ze en schreef er boeken over vol. Hij vindt de benadering van Plato niet zo zinvol, omdat, stelt hij, uiteindelijk al onze kennis komt vanuit die concrete wereld.

Aristoteles was niet alleen de stichter van een filosofische school, maar ook de leermeester van Alexander de Grote, de machthebber uit Macedonië die een groot gedeelte van de bekende wereld aan zich wist te onderwerpen, en daarmee de tijd van het door de Griekse cultuur beïnvloedde ‘hellenisme’ inluidde. Dat bracht Aristoteles tegen het einde van zijn leven ook in gevaar, want met het overlijden van Alexander de Grote ontstond er een anti-macedonische sfeer in Athene. Anders dan Socrates kiest Aristoteles om te vluchten en de stad Athene te behoeden voor nog een ‘zonde tegen de filosofie’.

Aristoteles laat een nieuwe school na, nadat hij gepasseerd werd als opvolger van Plato’s academie. Deze school wordt Lyceum genoemd, maar ook de school van de ‘peripatetici’, omdat de filosofen van deze school rondwandelden in de zuilengallerij van de school, en vermoedelijk, daar ook een deel van hun onderwijs gaven.

Aan Aristoteles hebben we de ordening van wetenschappen te danken die ook nu nog veel gebruikt wordt. Hij is de eerste denker die systematisch aan het werk gaat met verschillende wetenschapsgebieden en de grondprincipes ervan uitwerkt. Dat maakt Aristoteles ongelooflijk invloedrijk, want zijn ideeen zijn goed te volgen. In de middeleeuwen en tot in de vroegmoderne tijd, wordt Aristoteles aangeduide als ‘de filosoof’. Hij bedacht namen voor verschillende wetenschapsgebieden, die ook nu nog in gebruik zijn. En de metafysica (een term die Aristoteles zelf niet gebruikte) werd een van de belangrijkste filosofische disciplines, waarbij werd en wordt gekeken naar de meeste elementaire dingen die we kunnen weten, de kennis over ‘dat wat is’. Voor Aristoteles volgde dat logisch op zijn studie van de natuur, de fysica, en daarom noemde hij zijn boek ‘metafysica’, datgene wat ‘na’ de fysica komt.

Ideeën van Aristoteles

Aristoteles is goed te begrijpen als je insteekt bij epistemologie: ‘wat kan ik weten?’ Aan de hand van deze vraag vallen zijn theorieen over hoe de natuur in elkaar zit (fysica en metafysica) en wat we zouden moeten doen (ethiek) te begrijpen. Aristoteles heeft ongelooflijk veel geschreven, dus we kunnen maar een klein gedeelte doen.

Een belangrijk onderdeel van Aristoteles’ kennisleer is zijn uitgangspunt: datgene wat we in de werkelijkheid zien, kan op een bepaalde manier in ons hoofd terecht komen, waardoor het kennis wordt. Natuurlijk komt de steen die we zien niet als zodanig in ons hoofd, maar wel z’n ‘idee’, of ‘vorm’. Uiteindelijk is het proces van kennis er een van een verandering in het verstand, waardoor kennis in het verstand gelijkvormig wordt aan het object dat we zien, de steen of de boom. Dit klinkt logisch, maar in komende cursussen zullen we zien dat dit niet vanzelfsprekend is. Uit deze aanpak blijkt wel Aristoteles’ preoccupatie met de dingen die we zien. Onze kennis komt rechtstreeks uit stenen, zogezegd, de kennis zit niet al in ons hoofd.

De verandering in het brein loopt parallel aan wat Aristoteles in de fysica wil onderzoeken: verandering van dingen. Kennis van veranderingen en constanten levert uiteindelijk kennis op van de werkelijkheid, die immers continue verandert. Om de dingen in de werkelijkheid te begrijpen, analyseert Aristoteles hen daarom op het gebied van verandering en oorzaak, oftewel: causaliteit. Hij stelt dat in antwoord op de vraag ‘waarom is iets?’ (bijvoorbeeld: waarom is een giraf lang?’) er vier verschillende antwoorden kunnen worden gegeven die leiden tot kennis van het ding. Dit zijn de vier ‘oorzaken’.

Neem het voorbeeld van een tafel. Als wij ons afvragen ‘wat is deze tafel?’ (de waarom vraag van de tafel) dan kunnen we iets zeggen over z’n materiële aspect (hout), we kunnen iets zeggen over z’n vorm-aspect (de vier poten en het tafelblad dat uit dat hout is gemaakt), de werkaspect: de timmerman die de tafel heeft gemaakt en z’n doelaspect: de reden waarom de timmerman deze tafel vervaardigde, bijvoorbeeld om aan te eten. Aristoteles noemt al deze aspecten ‘oorzaken’. Datgene wat een tafel maakt tot een tafel is niet alleen z’n materiaal, maar ook de bewerker en z’n specifieke vorm. Het is zelfs de vorm die bepaalt of iets doorgaat voor een tafel of misschien toch eerder op een stoel lijkt. Maar in nauwe samenwerking met de ‘vorm’ van de tafel, is er ook het ‘doel’ van de tafel.

In onze tijd is het lastig te begrijpen wat Aristoteles bedoelt met de ‘doeloorzaak’. In hoeverre is het doel van de tafel een oorzaak voor ‘waarom en wat deze tafel is’? Sterker nog, in onze tijd zijn we geneigd om bij de vraag van de oorzaak van een tafel exclusief te wijzen naar de maker, ofwel, de werkoorzaak. Maar voor Aristoteles is het elementair dat dingen een doel hebben: iets waarvoor ze zijn gemaakt (vergelijk de analyse van de pen). Dingen, dat wil zeggen: inclusief levende dingen. Hoe kunnen levende objecten nou geen doel hebben, zou Aristoteles zeggen? Hun onderdelen hebben allemaal wel een doel. Een eend heeft zwemvliezen om mee te zwemmen en vleugels om mee te vliegen. Jij hebt ogen om mee te kijken en handen om mee te voelen, hoe kan een eend dan geen doel hebben, hoe kan jij dan geen doel hebben? Het is voor Aristoteles cruciaal voor het begrijpen van een ding, dat je niet alleen z’n werkoorzaak kent, maar ook het materiaal en de specifieke vorm en net zo goed de reden dat het ding op aarde is.

De ethiek van Aristoteles

Deze doelredenering komt terug in Aristoteles’ ethiek. Als je als mens wilt weten wat het goede is om te doen, zegt Aristoteles, is het cruciaal om te weten wat het doel is van de mens. Je kunt pas iets begrijpen, jezelf, of wat goed is in een situatie, als je de situatie kunt beoordelen aan de hand van onder andere het doel.

Doel: gelukkig worden. Methode: uitbuiten van wat de mens is: animal rationale. Gebruik je verstand. Geluk is daarom de voortreffelijkste (deugdzaamste!) versie van jezelf te zijn – dit wordt een tweede natuur. Met je praktische wijsheid kun je vervolgens in elke situatie kiezen wat het beste is. En het beste ligt altijd in het midden. Maar uiteindelijk is een deugd altijd

Maar wat is het doel van de mens? Volgens Aristoteles is dat: gelukkig worden. Hij noemt dit ‘eudaimonia’ en ziet het als het hoogste levensdoel. Maar wat is geluk? Volgens Aristoteles kijk je wederom naar de oorzaken, en kijk je wederom naar wat het is om mens te zijn. De mens, zo stelt hij, onderscheidt zich door z’n redelijkheid. Dat is de ‘vorm’ van de mens en dat is wat de mens onderscheidt van dieren. De vormoorzaak houdt verband met de doeloorzaak, want het doel bepaalt mede hoe het object functioneert – denk aan de pen. En daarom ligt het behalen van zijn levensdoel in de inzet van die redelijkheid. Door je denken in te zetten, kom je als mens tot je doel.

Wat betekent dat in de praktijk? Hoe kun je weten wat je in een bepaalde situatie moet doen? Stel dat je langs een spoorlijn loopt en je ziet een kind op de rails en een grote trein naderen. Je riskeert je leven als je het kind probeert te redden en je hebt maar een split second om te bepalen wat je moet doen. Wat doe je? Anders dan bij Socrates dacht Aristoteles dat dit niet alleen maar een kwestie van kennis is. Want, stelt hij, elke situatie is anders. Hier komt het aan op praktische wijsheid: er is geen tijd om te bedenken wat het meest rationeel is, maar er moet (wel of niet) gehandeld worden. Aristoteles stelt dat de deugd in elke situatie in het midden ligt.

Meer

De filosoof Socrates

De filosoof Socrates

Socrates is zonder twijfel de filosoof die het meest invloedrijk is geweest zonder ooit zelf iets geschreven te hebben. Veel oude filosofische teksten zijn zoekgeraakt, maar het is waarschijnlijk dat Socrates zelf nooit iets opschreef. Wat we van hem weten komt uit drie bronnen (Plato, Aristophanes and Xenophon), waarvan er eentje de spot met hem drijft. Plato is misschien wel de belangrijkste bron, hoewel we eigenlijk nooit zeker weten of Plato opschrijft wat Socrates daadwerkelijk deed en zei, of wat Plato ervan heeft gemaakt. Dit heet het ‘Socratisch probleem’. Maar het is aardig om Socrates’ filosofie te beginnen met hoe hij het volgens zowel Plato als Xenophon zelf vertelt in de rechtszaak die uiteindelijk tot zijn dood zal leiden.

Socrates vertelt hoe zijn vriend Chaerephon naar het Orakel van Delphi gaat, in de Griekse oudheid een belangrijke spreekbuis van de goden en vraagt of er iemand wijzer is dan Socrates. Tot Socrates’ verbazing zegt het Orakel dat Socrates de meest wijze mens is. Hoe kan dat, vraagt Socrates, want om wijs te zijn, heb je kennis nodig en ik heb juist het idee dat ik helemaal niets weet. Maar omdat je goden niet zomaar kunt ondervragen, besluit Socrates te testen of dit waar is, en hij gaat de stad in om mensen te vragen naar hun kennis. Maar, stelt hij, dit is dan niet zomaar kennis, maar kennis van de meest belangrijke zaken. Dus als hij naar de timmerman gaat, wil hij niet weten hoe je een spijker verwijdert uit een oude plank, maar wat de timmerman weet over wat het is dat een timmerman een goede timmerman en een goed mens maakt. Socrates bezoekt de poeten, de politici en de ambachtslieden en onderwerpt hen allemaal aan zijn eigen ‘socratische methode’. Hij vraag naar wat het is om deugdzaam te zijn, en wat een goed leven is, maar hij komt er achter dat hoewel de ondervraagde mensen heel zelfbewust beginnen met hun antwoord, ze al vrij snel stranden als Socrates doorvraagt en hen betrapt op tegenstrijdigheden. Maar het meest confronterende van deze onderzoekingen vindt Socrates het feit dat alle mensen die hij eerst ondervraagt wel volstrekt in de veronderstelling waren dat zij het antwoord op de elementaire vragen hebben die Socrates hen stelt. En dan realiseert Socrates zich wat het Orakel moet hebben bedoeld: Socrates onderscheidt zich van alle andere mensen die hij spreekt van het feit dat hij van zichzelf zegt dat hij niets weet. En dat is een wijsheid op zich, zeker als je het vergelijkt met het valse zelfbewustzijn van zijn stadsgenoten.

Na jaren te hebben rondgelopen in lompen, en voor nop te filosoferen met mensen in de stad (en hen aan zijn categorische vragen te onderwerpen), wordt Socrates voor het gerecht gedaagd door zijn stadsgenoten. Waarschijnlijk zijn de stadsgenoten jaloers op de populariteit van Socrates bij de jeugd, en ze verwijten hem dan ook dat hij de jeugd verziekte met zijn praatjes. Verder hield Socrates er nogal eens afwijkende religieuze ideeen op na, en dat werd het tweede verwijt. Socrates voert